Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » Boeken » West-Friesland... het land waar wij wonen » Pagina 17-19

1.3 Tussen water en wind

Vroege bewoning

De ironie van het noodlot wil dat de kennis van het Westfriese verleden vergroot wordt naar mate er meer sporen worden uitgewist. De laatste werkelijk grondige verandering die zich hier voordoet en die de hele bodemstructuur op zijn kop zet is de ruilverkaveling. Hele bladzijden uit het geschiedenisboek verdwijnen daarmee, terwijl anderzijds nieuwe, totaal onbekende gegevens boven water komen. In het Westfries Museum te Hoorn is als gevolg daarvan een interessant beeld te zien van de vroege geschiedenis van onze streek, was het alleen al dat de bezoeker een indruk krijgt van de werktuigen waarmee toenmalige bewoners probeerden het land te vormen en in cultuur te brengen. Men beschikte over stenen en later over bronzen bijlen en sikkels. Voorts gebruikte men stenen om graan te malen.
De vraag die na het vinden van zo'n voorwerp meteen om de hoek komt kijken is: hoe kwam men aan deze dingen?
In onze bodem is noch brons, noch vuursteen te vinden. Waren handelsbetrekkingen dan al zo ontwikkeld? Onderzoekers menen dat verkeer te water tot in Scandinavië mogelijk is geweest. De verbinding over land was slecht, ondanks het feit dat de Zuiderzee nog niet bestond. Bovendien kon langs de al eerder genoemde rivieren Vecht en IJssel een niet al te riskant transport van handelswaren plaats vinden. De wereld was groter dan men zo in eerste instantie zou veronderstellen en vaak ook meer gecultiveerd.



Het eergetouw was de voorganger van de ploeg. Het principe was zo doelmatig dat er in de loop der eeuwen maar weinig behoefde te worden veranderd.

Het land werd geploegd met zogenaamde eergetouwen, getrokken door ossen. Waar de ploegschaar over een vaste grondlaag kraste, vindt men nu nog de sporen daarvan. Voor de archeoloog vaak een belangrijke aanwijzing hoe de landbouw werd bedreven.
Veel belangrijke gegevens over de verandering die zich in de bewoning hebben voorgedaan, zijn aan het licht gekomen bij opgravingen die enkele jaren geleden in Medemblik zijn verricht. De daar werkzame archeologen constateerden dat omstreeks 700 jaar voor Christus – men noemt dat de late bronstijd – bewoning op de oevers van het riviertje de Medemelacha had plaatsgevonden. Ook uit latere perioden werden sporen gevonden waarbij ontdekt werd dat toen een soort beschoeiing langs de waterkant was gemaakt.
Uit verspreide vondsten kan de conclusie worden getrokken dat in de Romeinse tijd, dat wil zeggen tot aan het jaar 400 na Christus, bewoning van het gebied hier en daar mogelijk is geweest. Daarna veranderden de omstandigheden op het land zodanig dat geen landbouw of veeteelt meer kon worden bedreven.
't Hooi op en de koe dood, zou de Westfries in zo'n geval zeggen. Wilden de bewoners niet dezelfde weg gaan, dan dienden ze zich elders te vestigen.

Het houden van huisdieren dan wel het tuinieren lag vroeger bepaald niet in de hobby-sfeer. Runderen, varkens, schapen en geiten leverden behalve vlees, melk en wol ook leer, beenderen en mest. Een koe uit die tijd verschafte bij de slacht zo'n 100 à 150 kg vlees, tegen 500 à 600 kg van een twintigste eeuwse soortgenoot. Wordt er vandaag van een hectare bouwland 5000 kg graan geoogst, destijds was dat niet meer dan 750 à 1000 kg, zodat een aanvulling met wilde veldvruchten veelal nodig was.

Het land worstelt zich omhoog

Voor zover nu bekend is, was tussen 400 en 800 na Christus alleen bewoning van de duinstreek mogelijk; het Westfriese gebied was te nat. Het was echter wel bezig om zichzelf boven water te werken omdat het veenpakket (de afgestorven planten), dat zich achter de duinen in oostelijke richting vormde, steeds dikker werd. Soms was op dit veen al bewoning mogelijk zoals bij Medemblik, Andijk en de Streek. Geleerden die zich met deze onderwerpen bezig houden, menen dat ten oosten van Wervershoof een waterplas is geweest die door hen het meer van Wervershoof wordt genoemd. Aan de oevers van dit meer zouden zich in de Karolingische tijd (8e en 9e eeuw) al mensen hebben gevestigd en wel op de drie genoemde plaatsen.
Onderzoekers als G.J. Borger, T. Edelman en A.P. Bouwens hebben kunnen aantonen dat omstreeks het jaar 1000 West-Friesland uiteindelijk bedekt is geraakt met een veenpakket van wel 1 tot 3 meter dikte.De bovenkant van deze laag was daarmee ruimschoots boven het peil van de zee komen liggen. In dit veen ontstonden kleine stroompjes die het overtollige water afvoerden naar het meer van Wervershoof (De Kromme Leek en de Middenleek) dan wel in zuidelijke richting (de Drecht en de Leek) in de richting van het Almere.
Toen het zover was, kwamen steeds meer mensen naar hier. De streek was bewoonbaar geworden; de ‘overloop’ was begonnen. Om in moderne termen te blijven: er moest nu voor werkgelegenheid worden gezorgd. Het interessante is dat we het resultaat van die werkgelegenheid thans, duizend jaar later, nog duidelijk kunnen zien. De oude overlopers hebben hun handtekening in het landschap gezet.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.