Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » Boeken » West-Friesland... het land waar wij wonen » Pagina 30-33

1.10 Tussen water en wind

Wind, stoom en de rest

De achtkante houten bovenkruier; dat was wel de molen die het werk verrichtte. Technisch een interessant werktuig, in principe zo oud als de weg naar Rome. Een wiekenkruis, op een as gezet, gaat ronddraaien als de wind ertegen blaast; de as draait mee, die op zijn beurt werktuigen laat meedraaien. In ons geval: een scheprad. Verandert de wind van richting, dan moet het wiekenkruis meegedraaid worden. ‘Gekruid’ in molenaarstaal.

Een scheprad-molen kan het water maar een meter opmalen… Een scheprad-molen kan het water maar een meter opmalen. Ligt het waterpeil te laag dan moeten twee of drie molens ‘getrapt’ het werk doen. De later uitgevonden vijzelmolen kan het water hoger opvoeren.

Zo'n wiekenkruis met as plus de kap die het molenlijf afdekt, is enkele tonnen zwaar en het is daarom dat in de molenbouw een ontwikkeling is geweest dat er toe leidde dat het te kruien gedeelte zo klein mogelijk werd.
Niet de hele molen op de wind zetten, zoals bijvoorbeeld de paltrok, of een grote kast zoals bij de standaardmolen, maar slechts de kap.
Toch draait een watermolen een groot deel van zijn leven over het zuidwesten vanwege de heersende wind. Daarom zakt het hele bouwwerk meestal wat scheef over die kant. En dat ondanks het feit dat de molens van betrekkelijk licht materiaal zijn geconstrueerd; houten balken voor het geraamte, riet voor de afdekking.
Om het wiekenkruis te laten stilstaan is een vang aangebracht, een rem. Afhankelijk van de reden waarom de molen wordt stilgezet, krijgen de wieken telkens een andere stand.
Het is indrukwekkend om te zien hoe de molenaar een laatste groet brengt als een lijkstoet passeert. De kap wordt langzaam met de voorbijgaande wagens meegekruid. En tenslotte stil gezet in de richting van het kerkhof.
Uit deze min of meer menselijke trekjes die men aan de molen toedicht, kan wel worden afgeleid hoe nauw de relatie tussen mens en werktuig in de loop der eeuwen is geworden.
Overigens moet daar geen overdreven affectie bij worden voorgesteld, want toen er weer wat veranderd moest worden omdat ‘stoom’ een betere en vooral betrouwbaarder kracht dan ‘wind’ was gebleken, werden de molens bij tientallen afgebroken.

De vlucht van een flinke poldermolen, dat wil zeggen de afstand tussen de uiteinden van twee tegenover elkaar staande wieken is al gauw zo'n 20 á 22 meter.
Loopt een molen 80 enden, dan betekent dat de molenaar 80 keer per minuut een wiek voorbij zijn raam ziet draaien. Het uiteinde van een wiek heeft in dat geval een snelheid van 100 kilometer per uur. De bijbehorende wateropbrengst is omtrent 60 m³ (60.000 liter) per minuut over een hoogte van 1,30 meter.

Houten scheprad.Een aantal molens maalde niet gedurende de winter; het land stond dan min of meer blank. Pas op Vrouwendag, 2 februari, mocht er weer worden gedraaid. Men deed dit om de grond makkelijker te kunnen bewerken. Maar wellicht was het de landeigenaren ook niet onbekend dat men dusdoende bepaalde onkruiden kon bestrijden.
Het is interessant om te zien dat sommige bollenkwekers in de Anna-Paulowna polder deze werkwijze sinds enkele jaren weer toepassen. Voor de meeste landerijen was een behoorlijke drooglegging echter wel noodzakelijk en om daarbij niet afhankelijk te zijn van de wind, werden stoommachines toegepast.
Prachtige werktuigen die in hun eerste uitvoeringen, zoals bij de Cruqius te Haarlemmermeer, voor een leek nog wel te begrijpen waren. Zij het dat een aantal functies al aanmerkelijk geheimzinniger verliep dan bij de overzichtelijke windmolens.

De plaats van de laatste grote doorbraak… De plaats van de laatste grote doorbraak van de Westfriese omringdijk wordt gemarkeerd door een klein monumentje in de vorm van een ‘zeesteen’, de steen die voor de dijkglooing werd gebruikt. Een decoratief huldeblijk aan de molens zou overigens ook niet misstaan, vooral niet als dat zo'n vernuftig geconstrueerd scheprad zou zijn.

Met de toepassing van explosiemotoren, elektromotoren, centrifugaal- en schroefpompen, omhuld door gebouwen met een uiterst efficiënte vormgeving brak een nieuw tijdperk aan. Gladder, technischer, onpersoonlijker. Het tijdperk van de waterbeheersing tot op de laatste centimeter. En… stellig ook van een versnelde daling van de bodem. Nieuwe technieken lossen problemen op maar zorgen tegelijk voor andere. In dit verband is het ook de vraag of de technisch zeer goed uitvoerbare Markerwaard bodemkundig gezien gunstige effecten op het oude land zal hebben.
‘Ze zelle d'r nag ape mee vange’, wist Thijs Ham zo'n vijftig jaar geleden te voorspellen. ‘Droug máke is niks, maar droug hóuwe is 'n gauwigheidje dat je van je groffader lere moete. Dat kin gien mens aars je lere, want 't is land tussen water en wind’.



Toen de Heerhugowaard nog een meer was, ontstonden regelmatig problemen bij het afvoeren van water naar de zee. Bij lang aanhoudende zuid-westen wind werden de oevers steeds ernstiger bedreigd. Ter verbetering van de waterafvoer werd de Langereis gegraven, in zee uitmondend bij Aartswoud. De daar ontstane haven is nog achter het dorp zichtbaar.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.