Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » Boeken » West-Friesland... het land waar wij wonen » Pagina 40-41

2.2 Oud en nieuw land

De stad overheerst

Binnen de omringdijk heeft de stedelijke ontwikkeling van Enkhuizen en Hoorn het meest te betekenen gehad. Medemblik dat vóór het jaar 1000 fungeerde als kerkelijk, bestuurlijk en economisch centrum voor de omgeving, miste letterlijk de boot naar lndië die voor beide andere steden zoveel voorspoed bracht.
Schagen bleef als agrarisch centrum voor de naaste omgeving van belang terwijl Alkmaar van oudsher meer invloed had in Kennemerland. De wereld werd groter, er moesten meer zaken centraal worden geregeld, het landsbestuur trok steeds meer aangelegenheden tot zich. In dat landsbestuur waren echter de steden vertegenwoordigd, niet het platteland. De mannen uit de stad hadden het voor het zeggen gekregen. En wel in hoofdzaak de kooplieden. Uitvloeisel daarvan: veel ‘stadsactiviteiten’ werden gereglementeerd, beschermd en ontwikkeld. De landbouw bleef vrij; vaak vogelvrij. Aan het lot van de boeren, vooral in slechte tijden, liet niemand zich iets gelegen liggen.

In het karakter van de stadsbestuurders die deze streek vertegenwoordigden in ‘Den Haag’ was echter nog wel iets van een drang naar vrijheid en onafhankelijkheid aanwezig. Dat bleek bijvoorbeeld toen Willem van Oranje steun zocht voor zijn strijd tegen Filips II. Hij probeerde de steden in Holland stuk voor stuk aan zijn kant te krijgen. Dat lukte niet direct met Amsterdam dat nog zeer lucratieve handelsbetrekkingen met Spanje onderhield.
Ter illustratie: de Spaanse soldaten die Alkmaar belegerden, werden van Amsterdam uit bevoorraad. De Westfriese steden kozen echter wel de zijde van de Prins, maar ze bedongen daarbij dat in het vervolg over de Staten van Holland èn West-Friesland zou worden gesproken als het landsbestuur bijeen kwam. Men wilde zelfs zover gaan dat onze streek geheel zelfstandig zou zijn naast de andere gewesten. De afgevaardigden beriepen zich daarbij op het feit dat Floris V West-Friesland al in 1289 rechtstreeks onder zijn gezag had geplaatst. Een aardig staaltje hoe na verloop van tijd, nadeel in voordeel omgezet kan worden.



De toegang tot de vesting Enkhuizen was voor boeren en tuinders die hun land buiten en hun bedrijfsgebouwen binnen de wallen hadden mogelijk via de waterpoorten Oudegouwsboom en Boerenboom. Deze poorten waren in noodgevallen afsluitbaar, net als de ‘Majeboom’ (een uitwateringssluisje) te Andijk Oost.

Men stak grote kapitalen in gebouwen en bedrijfsuitrustingen op Jan Mayeneiland en Spitsbergen. Deze investeringen werden in de winter vanwege het barre klimaat verlaten. Bij terugkomst aan het begin van het vangstseizoen waren door de concurrentie vaak gebouwen vernield of uitrustingsstukken gestolen. Reden waarom werd besloten om manschappen te werven die tot overwinteren bereid waren. Outgert Jacobse van Grootebroek wilde met zes andere Strekers tegen goed geld wel een poging wagen. Hun lot was verschrikkelijk, hun dagboek vertelt ervan. In april 1634 bezweken ze. Ze werden ‘seer desolaet doot in hun kooyen’ aangetroffen door de terugkerende walvisvaarders.

De Westfriese zelfstandigheid leidde ook, en bepaald niet onder applaus van Oranje, tot het instellen van een eigen Munt. Natuurlijk ontstond verschil van mening waar het Muntgebouw gevestigd moest worden. Het touwtrekken resulteerde in het Salomons-oordeel dat de Munt nu eens in Enkhuizen en dan weer in Hoorn gevestigd zou zijn. Zo te zien is er bij het E.E.G.-circus, dat tussen Straatsburg en Brussel heen en weer trekt, weinig nieuws onder de zon. Wel won Hoorn de slag toen de huisvesting van het gewestelijk bestuur aan bod kwam. Door het feit dat met koning Filips nog steeds gestreden werd over de geloofsvrijheid en de economische ontwikkelingsmogelijkheden van de Noordelijke landen, konden bestuurlijke afsplitsingen ontstaan die zich niet onderwierpen aan het centrale gezag. De steden Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Alkmaar, Edam, Monnickendam en Purmerend benoemden afgevaardigden, de Gecommitteerde Raden, die de belangen van het gewest moesten behartigen. Liefst zo zelfstandig mogelijk. De vergaderplaats van deze heren was in het gebouw waar thans het Westfries Museum is ondergebracht.
Hier was tot 1795 de politieke macht gevestigd die West-Friesland representeerde. Zij het dat het niet was volgens het beginsel van de evenredige vertegenwoordiging. Zo sterk waren de tijden nog niet veranderd.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.