Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » Boeken » West-Friesland... het land waar wij wonen » Pagina 86-87

4.2 Boer in West-Friesland

Kwade tijden

Dat de boeren hun produkten redelijk konden verkopen, hield niet in dat alles nu botertje tot de boom was. Verre van dat. Als er maar even wat onrust in het land was, kregen de boeren daarvan te lijden. Soldaten die een stad belegerden, op doortocht waren of simpelweg op rooftocht, voorzagen op een uiterst eenvoudige manier in hun onderhoud: plundering van het platteland. De ‘fouragering’ van Sonoy en zijn mannen, van Grote Pier en zijn Zwarte Hoop, van de Engels-Russische legers in 1799 zijn maar enkele voorbeelden. Grootebroek, Rustenburg, Krabbedam en wijde omstreken waren het slachtoffer. Geen wonder dat de boeren die van oudsher gewend waren zich te verdedigen zich ook hiertegen verzetten. Dan had je bovendien nog het gevoel dat je iets deed. Want tegen andere kwade zaken was niet veel meer te doen dan dof berusten, dan wel de Heer verzoeken om de gevreesde veeziekten zoals mond- en klauwzeer, veepest en miltvuur zo snel mogelijk voorbij te laten gaan.

Buitenpoorters konden in tijd van nood bescherming krijgen in de stad. Dat kon zijn als bij oorlogshandelingen het land buiten de wallen onder water werd gezet. Hoorn had het recht om dat te doen middels een groot stenen riool, dat zout Zuiderzeewater naar binnen kon laten stromen. Dat riool lag onder het St. Pietershof en toen dit gebouw enige jaren geleden werd gerestaureerd werd het stenen kanaal, dat nooit gebruikt was, ontdekt. Hoewel… Bij een eerder uitgevoerde verbouwing had men er de, toen zo genoemde, secreten op geplaatst. Voor elke huisje één. Gelukkig voor de boeren-buitenpoorters, maar niet zo fijn voor bewoners van het hof was het riool nooit met Zuiderzee water doorgespoeld.

Tussen 1741 en 1744 bezweek in de omgeving van Hoorn de halve veestapel aan de pest. Eerder, tussen 1713 en 1719, stierven in Twisk alleen al 1831 dieren. Uit de omgeving van Schagen kwamen berichten dat de meeste boeren niet meer dan 4 koeien hadden. De gestorven beesten werden in massagraven gebracht, massagraven die bij het zogenaamde scheuren van het grasland of het egalisatiewerk nog hun lugubere inhoud toonden. Gelukkig leverden de kadavers geen besmettingsgevaar meer op. Dat was na het optreden van miltvuur echter wel het geval. Toen vrij recent in Nibbixwoud een oude toegang tot een stuk land werd opgeruimd waarin bijna honderd jaar tevoren een aan miltvuur gestorven koe was begraven ontstond spontaan weer besmetting van het daar grazende vee.

Diederik van Sonoy was in 1572 door Willem van Oranje tot gouverneur van West-Friesland benoemd. Dat betekende dat hij de verdediging van het Noorderkwartier tegen de Spanjaarden moest organiseren. Het benodigde geld diende door de steden te worden opgebracht; het platteland moest kerkklokken leveren die tot kanonnen werden omgesmolten.

In de strijd tegen veepest loofden de Staten van Holland en West-Friesland omtrent 1860 een bedrag van tienduizend gulden uit voor diegene die een geneesmiddel zou weten te vinden. Verschillende geleerden deden onderzoekingen, maar het was tenslotte Geert Reinders, een boer uit Bedum, die de belangrijkste bijdrage leverde tot de oplossing van het probleem, en wel door middel van inenting. Toch had men daarmee de epidemieën nog niet bedwongen. De boeren, en zeker de Westfriese, dachten en handelden sterk individueel. Er was geen hand die een vuist kon maken toen werd voorgesteld om besmet vee te laten afmaken. De getroffen eigenaren zouden weliswaar vergoeding krijgen uit een op te richten Veefonds, maar het plaatselijk bestuur dat de krasse maatregelen moest uitvoeren, was niet krachtig genoeg en te emotioneel gebonden aan het lot van medemens en dier om de regeling tot een succes te maken. Na het optreden van de tweede pest epidemie omtrent 1865 was de schade aan de veestapel en de landerijen zeer groot. Duizenden hectaren in geheel Nederland waren verwilderd en honderden agrariërs waren ‘boer'rold’, van hun bedrijf af geraakt. Behalve de veepest was longziekte en het ook nu nog zo gevreesde mond- en klauwzeer te duchten. Door de tijdige vaccinatie was deze laatste ziekte veelal te voorkomen, maar desondanks gaan er, getuige de opleving in 1984 nog wel eens iets mis. En dat betekent, met de bepalingen die internationaal eldig zijn altijd het einde van een veestapel.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.