Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » Boeken » West-Friesland... het land waar wij wonen » Pagina 106-108

5.4 Bouwers en Tuinders

Winterjannen en Zijden Hemdjes

De Notarisappel, de Zoete Kandij, de Zijden Hemdjes, de Advocaatpeer, de Goudbal, de Winterjan en de Kruidenierpeer zijn in de loop der jaren vrijwel geheel uit de Westfriese fruittuinen verdwenen. Ze groeiden aan bomen met een hoge stam en ze waren om die reden moeilijk te bespuiten met ziekte-bestrijdingsmiddelen. Bovendien was het plukken van de vruchten een arbeidsintensief en gevaarlijk werkje. Nieuwe rassen op lage stammen op goed begaanbare stukken land, hoge produktie, gelijkmatige vorm, goed ogend en afgestemd op de smaak van een groot publiek waren nu de eisen. Onderbeplanting met zwarte, rode of kruisbessen was niet meer mogelijk. Windsingels van hazelnootbomen waren niet langer afdoende. De boomgaarden in Zwaag, Blokker, Schellinkhout, Wijdenes en Winkel veranderden van structuur en uiterlijk.

Voorlichting en onderwijs werd, evenals bij de veeteelt en de tuinbouw, in ruime mate door specialisten gegeven. Koelhuizen verschenen, verpakkingen werden aangepast, de samenwerkingsgedachte die ondanks de individualiteit van de Westfriezen in zo veel sectoren van het economische leven tot ontwikkeling was gekomen en maakte eveneens opgang. De veilingen werden belangrijke instituten. Het aantal fruitbomen nam in de jaren zestig en zeventig echter in snel tempo af. Enerzijds door de noodzakelijke schaalvergroting, anderzijds door bedrijfsbeëindiging wegens onvoldoende rendement. Bovendien: steden en dorpen breidden zich uit. De gemeente Hoorn kocht talloze bedrijfjes in de Bangert, Blokker en Zwaag. Jongere kwekers konden soms elders met een groter bedrijf schadeloos worden gesteld, de oudere kozen meestal voor uitkoop. Zo'n vijfhonderd jaar nadat Jan Heesjes met zijn fruitbomen-aanplant was begonnen, ging men in de Bangert al weer aardig terug naar af. Het karakteristieke beeld met zijn ‘wijkers en blijvers’ dat zoveel jaren gezicht had gegeven aan de Westfriese fruitteelt was totaal verdwenen. Volgende zaak.



Bloembollen en zaden

Een grote zaak. Maar ook een speculatieve zaak. De Admiraal van Enkhuizen (de naam voor een tulpebol) bracht in 1636 een vermogen op: ƒ 5400,- (toenmalige guldens) Om onbegrijpelijke redenen, te vergelijken met de huizenhandel in de zeventiger jaren van deze eeuw, ontstond een geweldige speculatieneiging bij de handel in tulpenbollen. Met recht windhandel genaamd. Overigens was deze teelt toen nog van weinig betekenis voor de tuinbouwer. Het duurde tot 1886 eer in Andijk een serieuze proef met het verbouwen van tulpen werd begonnen. Die viel goed uit, het areaal werd uitgebreid en in 1919 begon met in de kolfbaan van ‘het Rode Hert’ in Bovenkarspel met het veilen van bollen.
De crisis van 1930 was van grote nadelige invloed, maar na de oorlog ging het weer crescendo met de bollen-jongens.

Opmerkelijk is dat de gladiolenteelt door het optreden van bodemschimmels (het zogenaamde droogrot) beperkt is gebleven, terwijl juist een vrij onbekende bloem als de lelie na kruising met nieuwe Amerikaanse rassen veel aandacht heeft gekregen. Andijk, onder andere, is in enkele jaren tot een in vele uithoeken bekend centrum geworden.
Nu was de naam van Andijk als plaats van zaadteelt al bekend. Mosterd, karwij, anijs, kervel en dille werden door de voorvaderen van de Sluizen en Grooten verbouwd en als zaad letterlijk uitgevent.
Bup (opa) Nanne Groot trok met de ‘kiep’ (een soort rugzak), waarin pakjes zaad waren gestapeld door het land.
Zijn achttien kinderen hadden hem braaf geholpen met inpakken. De start van een geweldig familiebedrijf. In de Streek was Dirk Rood begonnen met een handel in knollenzaad en hieruit ontstond in 1845 de firma P. Rood. Een aantal Enkhuizers liet zich in de loop van de eeuw ook niet onbetuigd, net zo min als enkele Langedijkers.

En zo ontstond wederom een zeer karakteristieke soort bedrijvigheid in West-Friesland.
Maar ook hier, het verhaal wordt eentonig, verandering door nieuwe eisen en nieuwe mogelijkheden. Het is lonender geworden om bonen te telen in Midden-Afrika, doperwten in Marokko of zaden in de Po-vlakte.
Maar wel met vakmanschap en ervaring geleid door mensen van binnen de omringdijk. Er wordt gezocht in de laboratoria en proeftuinen naar gewassen, zoals sperciebonen, die machinaal geoogst kunnen worden, er worden zaden ontwikkeld die voorzien zijn van een omhullend laagje waarin bestrijdingsmiddelen zitten, er wordt geselecteerd op uiterlijk, opbrengst, oogstbaarheid en – af en toe – op smaak.
Dat een tuinder, een bollenkweker, maar ook een veehouder een salto mortale moest maken om de ontwikkelingen van de laatste dertig jaren bij te houden laat zich denken. Geen wonder dat ouderen het werken met mechanische hulpmiddelen en het toepassen van allerlei wetenschappelijke hoogstandjes veelal (moeten) overlaten aan een volgende generatie.
"t Worre bedat allegaar komputtermanjes, denk’, zei Arie Sijm. ‘Kochte we vroeger alles op de nuwe piepers of, den zal dat demee op de nuwe uitdraai of moete’. De nuwe uitdraai. Ok het dialect ontkomt er niet an. Dink.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.