Westfries Genootschap
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Westfries Genootschap » Geheimen van de dijk » Korte geschiedenis

Korte geschiedenis Westfriese Omringdijk

I. v. Manen

126 kilometer dijk
De Westfriese Omringdijk ’omringt‘ Westfriesland: 126 kilometer dijk van Alkmaar langs Kolhorn, Medemblik, Enkhuizen en Hoorn en dan terug naar Alkmaar. Meer dan 1200 jaar geleden was Westfriesland nog een veenmoeras, dat boven de zeespiegel lag. De eerste pioniers markeerden stukken grond en groeven er sloten omheen. Dat was om het overtollig water af te voeren. Zo legden ze ook dijkjes en kaden aan. Buren moesten daarbij samenwerken. Wie verder van zee zat, moest ook zijn water kwijt. Uiteindelijk moest alle water naar zee. Ze begonnen met in cultuur brengen op hoger gelegen plekken, zoals bij Medemblik en Wognum.
In het begin woonden de Westfriezen op hoger gelegen oude stroombeddingen of kreekruggen. Die dateren nog uit een ver verleden. De oudste dorpen liggen in een lange rij op zo‘n zanderige rug: Opmeer, Wadway, Wognum. In het westen, in de buurt van Schagen, werden ook eerst hoogtes bewoond, maar later wierpen de Westfriezen zelf terpen op. Ze deden dat om bij een stormvloed droog te blijven. Later bouwden ze om hun landbouwgrond kaden en dijkjes om die grond droog te houden. Ook daar moest het overtollige water naar zee worden afgevoerd.
Als je water uit veengrond laat lopen, zakt die in. De veenplantjes komen ook boven water en verteren door de zuurstof in de lucht. De Westfriese bodem klonk daarom steeds meer in en daalde tot onder zeeniveau. De Zuiderzee vrat ondertussen gestaag aan Westfriesland. Er ontstonden ook grote meren die Westfriesland aan de zuidkant bedreigden en die pas in de 17e eeuw zijn ingepolderd, zoals de Schermer en de Beemster. Tegen het oprukkende water legden ze dijken aan. Al die dijken achter elkaar vormden rond 1250 al een geheel: De Westfriese Omringdijk. Westfriesland leek wel een groot eiland met een dijk eromheen. Een prestatie van belang voor middeleeuws Westfriesland.

Bedreigingen
Aan de westkant, het gebied van Schagen en de Keins, grenst de Westfriese Omringdijk aan de Zijpe, ooit een zeearm tussen Westfriesland en de duinenkust. Op de Zijpe kwam vanuit het zuiden de rivier de Rekere uit. De Rekere begon in het Schermeer en liep langs Alkmaar naar het noorden. De Zijpe was niet echt diep en verzandde langzamerhand. Bij springtij en harde storm liep hij echter helemaal vol. Als de Noordzee dan ook nog door de duinenrij heen brak, zoals bij Callantsoog, werd het echt gevaarlijk. Het water werd opgestuwd tot ver in de Rekere en drong Alkmaar binnen. Westfriesland werd dan ook aan de westkant door water bedreigd.
In 1508 was het weer zover. De Zijpe liep vol en in Alkmaar kregen ze weer eens natte voeten. Daarom werd de Zijpe ingepolderd. Dat mislukte een paar keer. Men bouwde dammen en sluizen, bij Alkmaar, Schoorldam en Krabbendam. Stak je de Westfriese Omringdijk door en zette je de sluizen open, dan overstroomde een groot gebied. Onderdeel van een waterlinie tegen de Spanjaarden. In 1597 was dit stuk Zuiderzee tussen Schagen en de Noordzeekust eindelijk droog. In 1610 werd ook de Wieringerwaard, ten oosten van de Zijpe, ingepolderd. Niet te verwarren met de Wieringermeer uit de 20e eeuw. De polders Waard en Groet werden in 1834 ingepolderd.
De grootste gevaren dreigden voortaan voor de brede oostkant van Westfriesland: Aartswoud-Medemblik-Enkhuizen-Hoorn-Scharwoude. Op 1 november 1675 joeg een zware noordwesterstorm het water van de Zuiderzee hoog op. In de nacht van 2 november brak de Omringdijk bij Scharwoude door. De stroom maakte een gat van tien meter diep en kwam tot Rustenburg en Medemblik. Nieuwe stormen stuwden het zeewater nog verder Westfriesland in.
Maar de Westfriezen zaten niet bij de pakken neer. Er werd een grote heimachine ingezet, die op menskracht werkte. Rond elk stroomgat stampten ze een wijde kring van palen de bodem in. Op 26 januari 1676 waren de gaten gedicht. Het droog malen kon beginnen. Bij een doorbraak slijpt de zee een diep stroomgat uit. Ze legden de reparatiedijk om dit diepe gat heen. Het gat bleef achter als een meertje, een ’waal‘, ’weel‘ of ’wiel‘. Zulke wielen vind je bijvoorbeeld bij Eenigenburg, maar ook de Grote Waal, nu onderdeel van een woonwijk van Hoorn, is er een overblijfsel van.

Voorland, inlaagdijk en wierdijk
Middeleeuwse dijken en dus ook de Omringdijk, hadden voorland. Dat is buitendijks land, waarop de golven stuk lopen. De Zuiderzee vrat steeds meer voorland aan. Als het bijna verdwenen was, legden ze landinwaarts een nieuwe dijk aan, een ’inlaagdijk‘. In 1391 gebeurde dat bijvoorbeeld tussen Schardam en Hoorn. De nieuwe inlaagdijk werd deel van de Westfriese Omringdijk. Die kreeg het opgegeven gebied als voorland. De Westfriese Omringdijk loopt dwars door Hoorn. De zee spoelde later het opgegeven land uit tot het Hoornse Hop.
Met het voorland verdwenen soms hele dorpen in zee. Het dorp Gawijzend lag in wat nu Wieringermeer is, ter hoogte van Aartswoud. In 1334 werd het verwoest door de zee. Landinwaarts werd een inlaagdijk aangelegd. Gawijzend zelf zou voortaan met het omringende land de golven opvangen, als nieuw voorland. Rond 1350 waren Gawijzend en een groot deel van buurdorp Almersdorp al verdwenen. Enkhuizen, een ander voorbeeld, lag ooit meer naar het zuidoosten. Oude Enkhuizers vertellen nog wel eens dat zij er bij een erg lage waterstand naar toe liepen om oude dingen te zoeken. Stenen van het fundament van het oudste houten kerkje zijn volgens het verhaal gebruikt voor de huidige Zuiderkerk.
Het steeds weer opgeven van voorland houdt natuurlijk een keer op. Toen bedachten de Westfriezen een sterkere dijk, die zelf de golven opving. Aan de zeekant maakten ze een muur van opgestapeld wier (zeegras). Ervoor kwamen houten palen, die het wier bij elkaar hielden en het tegen de golfslag beschermden.

Paalworm en natuursteen
In de 17e haalde de VOC met haar houten schepen specerijen, zijde en porselein uit Indonesië, India en China. In de tropische zeeën zweeft de teredo navalis, een soort worm met een schelpachtige kop. In Nederland kreeg het diertje al gauw de naam paalworm. Paalwormen eten hout en boren er zo gaten in. Ze boorden zich ook in de scheepsrompen en liftten mee terug. Soms vielen de schepen, door de paalworm, al op de terugreis uit elkaar! Op de Zuiderzee ontdekten de wormen een lekkernij: de houten palen voor de Omringdijk. Ze pasten zich aan het milieu van de Zuiderzee aan. Ze begonnen palen te eten. De dijk werd regelmatig gecontroleerd. Steeds meer palen waren aangevreten. Die konden het wierpakket niet meer beschermen. De Westfriese Omringdijk was in gevaar.
Iemand bedacht om de palenschermen te vervangen door natuursteen. Als je nu eens keien stortte als dijkbekleding? Eerst werd er een proefvak aangelegd. Dat hield het goed bij de volgende stormen. Men haalde er zwerfkeien voor uit Drenthe en importeerde later natuursteen uit de Oostzeelanden, Duitsland en België.
De Omringdijk kreeg een ander gezicht.

Van schuif naar windmolens
Eerst was het land nog hoog. Het overtollige regenwater liep bij eb weg door een schuif in de dijk. Bij vloed ging de schuif dicht. Vanuit het binnenland werd het water door sloten en vaarten naar de dijk gebracht. Hoe meer water er uit de Westfriese bodem verdween, hoe meer die daalde. De bodem daalde zo sterk dat het water op een gegeven moment bij eb niet meer zomaar wegliep. Er waren windmolens voor nodig. Eerst kleinere, die je in zijn geheel op de wind kon zetten. Later hele grote, waarvan alleen de kap met wieken draaibaar was. Bij Schellinkhout bijvoorbeeld, vlak bij Hoorn, zie je er nog een, compleet met de aanvoervaart van het polderwater, de doorgang door de dijk en de vaart door het voorland richting Hoornse Hop.
De schuiven werden later vervangen door ’doorlaten‘ of spuisluizen. In een spuisluis of doorlaat zit alleen maar een schot om het water door te laten. Hij ging dicht als er water genoeg in de polder stond en open bij droogte. Een spuisluis was belangrijk voor boeren, maar ook voor palingvissers. Glasaaltjes uit de Sargassozee konden via een spuisluis het polderwater in. Volwassen palingen zwommen zo terug naar de Sargassozee om voor nieuwe glasaaltjes te zorgen. Boeren en vissers maakten vaak ruzie over de doorlaten, ze hadden een verschillend belang.
Om de scheepvaart in en uit het gebied te laten had je een schutsluis nodig. Maar heel lang nam men genoegen met een ’overhaal‘ of overtoom. Schepen werden over de dijk getrokken. Een stuk dijk werd belegd met lange planken. De schepen werden met windassen, die door mannen of paarden werden aangedreven, de overtoom overgetrokken. Een schutsluis echter bestaat uit een sluiskolk dwars door de dijk met twee deuren aan weerskanten. Schutsluizen maken de dijk minder veilig.

Droog houden betekent samenwerken
Eerst zorgde een banne, een grondgebied, voor de afwatering en de dijken van het eigen gebiedje. Maar water bij je buren lozen, die het dan verder naar de Zuiderzee moeten brengen, vereist samenwerking. Meerdere bannen werkten daarom samen in een ’kogge‘. Koggen werkten weer samen in een ambacht. Bannen en ambachten hebben een bestuur. Iedere banne had afgevaardigden in een ambacht.
Niet te verwarren met een polder. Dat is een gebied met dijken of kaden, waarvan de waterstand geregeld wordt met windmolens of gemalen.
Westfriesland kende vier ambachten: De Vier Noorder Koggen, De Schager- en Niedorper Koggen, het Geesterambacht en Drechterland.
Niet iedere Westfries was er van doordrongen dat onderhoud en herstel van de Omringdijk in het oosten ook belangrijk was voor Westfriezen in het westen. Zeker niet toen de Zijpe en Wieringerwaard in het westen en de grote meren aan de zuidkant ingepolderd waren en eigenlijk alleen het oostelijk deel van Westfriesland nog ’aan zee‘ lag. Pas na het Groot Proces, aangespannen door de Westfriezen in het oostelijk deel tegen de westelijke Westfriezen, kwam in het vonnis vast te staan dat het onderhoud ’gemeen‘ was. Het Groot Proces duurde bijna de hele 17e eeuw en werd pas in 1695 afgesloten.

Westfriese vrijheid en dwangburchten
Heel lang voelden de Westfriezen zich zo vrij als een vogeltje. Maar de machtige graaf van Holland en Rooms-koning van het Duitse Rijk, meende aanspraken te hebben op het gebied. De Westfriezen meenden een vrijheidsprivilege te hebben gekregen van Karel de Grote. Willem II viel aan in 1256 vanuit Alkmaar. Hij wachtte tot er ijs lag. In de zomer had een leger te veel last van al die slootjes, vaarten en meren. Maar hij zakte bij Hoogwoud door het ijs en werd gedood door de Westfriese verdedigers. Het leger trok zich terug en Willem II werd op een geheime plek begraven. Zoon Floris V volgde zijn vader als graaf van Holland op, maar niet als Rooms-koning van het Duitse rijk. Eerst in 1272 en daarna in 1282 sloeg hij terug. Hij landde bij Wijdenes, rukte al brandschattend op naar Hoogwoud en vond daar het graf van zijn vader. Hij liet het stoffelijk overschot naar Middelburg vervoeren en bijzetten in de abdijkerk.
Floris liet op strategische plekken langs de dijk - bij Medemblik, Wijdenes, Eenigenburg (Nuwendoorn) en Alkmaar (twee zelfs: Middelburg en Nieuwburg - kastelen bouwen. Geen echte woonkastelen voor ridders en jonkvrouwen, maar ’dwangburchten‘, legerplaatsen voor zijn bezettingslegers. Floris bestuurde Westfriesland vanuit ’s-Gravenhage. Hij liet in Westfriesland Oost veel over aan zijn baljuw in Medemblik en in Westfriesland west aan de baljuw van Kennemerland. In 1296 werd Floris vermoord door edelen nabij het Muiderslot. Meteen kwamen de Westfriezen in opstand, ze wilden hun vrijheid terug en vielen ook de dwangburchten aan.
De burcht van Wijdenes werd meteen verwoest. Nu ligt het in het Markermeer, want dat stuk land is buitengedijkt. Van de Nuwendoorn bij Eenigenburg is na de 14e eeuw niets meer terug gevonden in geschriften. In de 20e eeuw werden de muurresten gevonden en uitgegraven. Mede dankzij het Westfries Genootschap zijn de fundamenten blootgelegd. In de 21e eeuw heeft de provincie Noord-Holland ervoor gezorgd dat de muren voor een stukje zijn opgebouwd. Op de plek van de woontoren voor de soldaten, de donjon, is een uitkijktoren van staal gebouwd. Als je daarop staat kijk je tot aan Abbekerk. Vanaf hun hoge uitkijkposten op de vijf dwangburchten hielden de soldaten van de graaf dus heel Westfriesland letterlijk in de gaten.

Havensteden
De steden Enkhuizen, Medemblik en Hoorn groeiden uit tot zeehavens. Vanaf de Zuiderzee kon je gemakkelijk de Noordzee opvaren, de wijde wereld in. Het werden Europese handelssteden. Enkhuizen en Hoorn hadden ook Kamers van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), de grote handelsmaatschappij die op Azië voer. Ook de West-Indische Compagnie, met als handelsgebied de Amerika‘s en West-Afrika vond er een thuishaven. Maar ook trok de haringvisserij op Zuiderzee en Noordzee de Westfriezen, net als de walvisvaart in het koude Noorden. De Westfriezen haalden hout en graan uit de landen rond de Oostzee: de Sontvaart.
Alkmaar en Schagen waren vooral havens voor de binnenvaart. Kaas, vee, graan en andere producten werden aan- en afgevoerd. Alkmaar ontwikkelde zich zo sterk, dat het wat de Westfriese handel betreft ging concurreren met Hoorn. Dat leidde tot conflicten. De Heerhugowaard was in 1570 nog een binnenmeer, de Grote Waard. Rondom lagen dorpen, zoals Langedijk. De boeren brachten hun kaas per schuit naar Alkmaar of Hoorn. Op de vaarroute naar Hoorn moesten de schuiten bij Rustenburg over een overtoom. Hoorn wilde die vervangen door een schutsluis. Hoorn begon er in 1577 een te bouwen. De Alkmaarse schutterij trok toen op naar Rustenburg, verwoestte de sluis in aanbouw en stak alle timmerhout in brand. De kaasmarkt van Alkmaar won de concurrentieslag met die van Hoorn. De schutsluis die nu bij Rustenburg ligt, is van veel later datum.

Turfhaven Kolhorn
Kolhorn was een kleine zeehaven in een bocht van de Omringdijk. De Kolhorners visten op ansjovis en haring. Schepen uit Friesland brachten Friese en Overijsselse turf naar Kolhorn. Turf was de belangrijkste brandstof in huis en op het werk, zoals in smederijen en op scheepswerven. Op de Westfriese Dijk stonden turfschuren. Die waren half over de dijk heen gebouwd, met aan de haven- en aan de polderkant deuren. Binnenvaartscheepjes en vrachtkoetsen brachten de turf Westfriesland en Noord-Holland in.
Toen de Wieringerwaard was ingepolderd, ten noordwesten van Kolhorn, lag dat stuk Omringdijk niet meer aan zee. In de 19e eeuw volgden de Waard- en de Groetpolder. Voortaan was de Omringdijk van Alkmaar tot aan Aartswoud geen echte zeewering meer. Dankzij een kanaal en een zeesluis bleef Kolhorn nog wel een vissershaven.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.