Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Geschiedenis van West-Friesland » Hoofdstuk V » Pagina 58-59

1572 tot Frederik Hendrik (1/6)

Al sedert onze kinderjaren weten we, hoe de Geuzen bij verrassing den Briel namen op 1 April 1572. Lumey moet oorspronkelijk van plan zijn geweest uit Engeland komende, Enkhuizen en de andere steden van het Noorderkwartier te overrompelen, maar door den veranderden wind liep hij de Maas binnen. Alva vond het raadzaam Boshuizen met een in Amsterdam, Enkhuizen en Hoorn toegeruste vloot naar Enkhuizen te zenden; hij ging voor de Ven liggen en trachtte krijgsvolk de stad binnen te loodsen, wat echter mislukte. Na vele schermutselingen, waarbij Boshuizen door het volk gevangen werd genomen, maar na korten tijd weer werd losgelaten, kregen de Prinsgezinden de overhand en den 21 sten Mei verklaarde Enkhuizen zich openlijk voor Willem van Oranje. Sonoy door den Prins tot stadhouder van Westfriesland benoemd, kwam al spoedig naar Enkhuizen. In zijn instructie, door den Prins reeds 20 April 1572 te Dillenburg gedateerd, staat als eerste punt, dat Sonoy

„sijn beste (sal) doen om allen ende ijegelijken den ingesetenen der steden Enkhuizen, Medemblik, Hoorn ende andere steden en vlekken in Waterlandt gelegen te verlossen van de slavernye ende tyrannye .... om die wederom te brengen ende te restitueren tot he ure oude Vrijheden, Rechten, Herkomen ende Privilegien.”
Van Enkhuizen uit ging binnen korten tijd geheel Westfriesland over naar de zijde van den Prins. Eerst moest eenige strijd geleverd worden met Grootebroek, waar de toegang tot de Streek met een poort was afgesloten en dat zoo de communicatie met Enkhuizen wilde beletten. De Enkhuizers kwamen echter met eenig geschut, waarop de Grootebroekers op de vlucht sloegen en „toen wierdt de „poort door een vrouwe geopend.” Twee vendels soldaten onder Kabeljaeu en Ruyghaver trokken met twee vendels burgers naar Medemblik, dat zich eerst onder den kastelein Cornelis van Rijswijc te weer stelde. De meeste mannelijke ingezetenen waren in het slot gevlucht en de stad gaf zich over toen de soldaten het niet zeer sympathieke middel te baat namen van de vrouwen en kinderen voor zich uit te laten loopen, zoodat men uit het slot niet durfde schieten. Nu was Hoorn aan de beurt, waar de burgerij overwegend Prinsgezind was. Afgevaardigden van Enkhuizen kwamen naar Hoorn en moesten buiten de poort wachten. Terwijl de vroedschap delibereerde, opende het volk de poort en bij een stemming ten stadhuize
„verdroegen de Gilden en Kapiteynen van de Schutters te samen op het volk van den Prince en zijnde gestijft met noch eenige van de Vroedschap, overstemden soo de Burgemeesters en ander Vroedschappen.”
De burgemeesters vonden het raadzaam de stad te verlaten. Den volgenden dag (19 Juni) kwam een vendel van den Prins onder Jacques Hennebert in de stad; Jozua van Aalveringen, heer van Hofwegen werd tot gouverneur aangesteld — Hoorn was geus geworden.

Nu de steden de zijde van den Prins gekozen hadden, volgde de rest van Westfriesland. Als belooning kreeg Enkhuizen in 1574 van Willem I het Paalkistrecht, dat tot dien tijd aan Amsterdam behoorde. Dit hield in de betonning en bebakening der Zuiderzee, waarvoor de stad „paalgeld” van de schepen mocht heffen.

De bewoners hadden terecht klachten over het gedrag van de soldaten der Sfaatsche partij; vooral het platte land had veel te lijden. De kapiteins waren genoodzaakt met hun vendels in de dorpen te blijven, omdat de steden geen lust hadden hen binnen te laten. Hoorn was b.v. maar al te blij, dat Hennebert met zijn bezetting van een kleine 300 man vertrok met den „grooten sleep vrouwen en kinderen.” Zoo lag Ruyghaver in Avenhorn, Grosfhuizen, Berkhout en de Beets en „als het daer kael gemaekt was” trok hij naar Nibbixwoud en Hauwert. Kapitein Appel lag eerst in Zwaag en Blokker, maar werd daarna in Hoorn toegelaten. Krijgstucht was ver te zoeken; al deed de Prins veel moeite dit te verbeteren, verliep er geruimen tijd, voordat van een ongebonden troep huurlingen een gediciplineerd leger gevormd was.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.