Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Hé, is dat Westfries? » Pagina 29-30

Woorden en uitdrukkingen: 114-135

114. 't Zou goed voor me zijn, als ik met 't roken wat minnezeerde (matigde, verminderde).

115. Van tijd tot tijd krijg ik 't nare water (hartwater, zure oprispingen).

116. Die eigenwijze vent laat zich door niemand onderrechten (onderrichten, van advies dienen).

117. M'n werkman is onga(a)ns (ziek, nietin orde).

118. Vader is erg ziek geweest; nu lubbert ie weer wat op (opkwikken, opleven).
Van 'n kop sterke koffie kun je soms aardig oplubberen (opkwikken, bijkomen).
Opm.: Voor 'opkwikken' gebruikt de Wfr. opkwieken.

119. M'n snaartje (schoonzuster) krijgt soms van die opvliegers, van die opstiemingen (opvliegingen, bloedaandrang naar 't gezicht, congèstie). Vgl. nr. 423.

120. Mazelen zijn overspruitelijk (besmettelijk).

121. Z'n vrouw is wel wat pentenéurig (lichtgeraakt; pietluttig, erg precies).

122. 't Vóres is in de Westfriese stolphoeve een kamer naast de winterkamer, waarin de pronkkast was en waar de zondagse kleren in de kasten hingen. 't Vóres of de voorkamer wordt niet gebruikt voor bewoning. Als bij een of andere gelegenheid, zoals verjaring en overlijden, veel genodigden aanwezig waren, werd 't vóres als nevenvertrek gebruikt voor de gasten. Overigens kwamen de gezinsleden er slechts op zondag om hun zundese goed (hun betere kleren) te halen.

123. Als hij in 't café komt, dan krijg je de pret (de ruzie, de onenigheid). Hij is altijd de spelbreker.

124. Ik denk dat ik griep krijg, ik ben zo pupperig (koud en rillerig).

125. Wat lacht ie skadelijk (overdreven, uitbundig, luidruchtig).

126. Volgens de dokter is 't slim met de zieke (slecht, bedenkelijk).
Vgl. het Duitse 'Schlimm'.

127. Ik heb 'n steed op m'n hoofd (puist, gezwel).
Er is 'n rotte steed (stee) aan die appel.

128. Tamis is laatst sturven (gestorven), maar ik heb niet van 'm urven (geërfd).

129. Doortje is twintig jaar oud, maar ze is nog niet erg mannig (heeft niet veel belangstelling voor mannen).
Haar broer Dorus is nog jonger, maar is al tamelijk woivig (heeft vrij veel interesse voor 'wijven', voor meisjes).

130. Ik eet niet gemakkelijk, want m'n verwulf(t) is pijnlijk (m'n gehemelte).

131. Hoe is haar karakter en haar ontwikkeling? Nou, ik verzeker je: Daar is volk thuis (ze heeft 'r weetje wel. Je hebt rekening met 'r te houden, ze weet wat ze wil en zegt haar mening onomwonden).

132. Hij had zerighoid of: zeerte aan z'n gezicht (uitwendig zeer, uitslag).

133. De dokter werd gebeld en hij ging zovoort of: zovoors naar de zieke (direct, dadelijk, onmiddellijk). Vgl. het Duitse 'sofort'.

134. Oom Klaas loit zó zuinig, dat ie elk ogenblik kan sterven (is zó zwaar ziek).

135. Als je zo af en toe wat aan dat werk doet, kom je er nooit mee klaar, je moet 't loif er an leggen (flink aanpakken, intensief werken).

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.