Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Hé, is dat Westfries? » Pagina 58-60

Woorden en uitdrukkingen: 364-394

364. Mary is morgen jarig. Ik moet nog wat kopen voor de hapsnap (lekkere hapjes).

365. Kleine kinderen klieken graag met water, modder, enz. (kladden, morsen, knoeien).
Opm.: 'Klieken' betekent in 't Ned.: eten laten overschieten: Je mag niet klieken, je moet je bord leeg eten.
'Kliekjesdag', waarop de restanten van vorige maaltijden worden gegeten.
Maandag is kliekjesdag.
In 't Wfr. is dat: lessiesdag.

366. Kind, je moet die groene knar (harde, nog onrijpe appel of peer) niet opeten. Jullie zijn net van die wintervarkens, van die groenkauwers, die rijp en onrijp naar binnen werken.
Is 't nog 'n jonge vent? Wel nee, 't is 'n ouwe knar ('n al oudere vrijer of man).

367. Koolprak dien je niet op als gastmaal (stamppot van kool en aardappelen).

368. Tegen twaalven gingen we te míddegen (warm-eten, middagmalen).

369. Hij zat lekker te muizelen (muizen, smikkelen, lekker te eten).

370. Dat meisje is nog maar 16 jaar, maar ze kan al koken as 'n neut (als de beste).

371. Als je enige uren zwaar werk hebt gedaan, dan krijg je skroei (honger).

372. In dat gezin skuttelt 't niet ruim (er heerst armoe, er komt niet veel op de schotel).

373. Nu snoepen de kinderen van 'n bonbonnetje, 'n reepje, 'n schuimpje, 'n dropje. Wij kregen vroeger 'n sletje, 'n kokkin, 'n steek of 'n ander suikerdinkie.

374. Dat vet steigert gauw (stolt).

375. Dit pekelspek is zo te zout voor 't gebruik, je moet 't eerst uitvarsen (ontzilten, ontzouten, in 't water zetten om 't overtollige zout er uit te laten trekken).

376. Op de stevige, voedzame kost van vroeger kon je werken. Nou eten ze van die wup-wap (die moderne, licht verteerbare snufjes met weinig calorieën); 'n paar uur na 't eten rammel je van de honger!
En de kleren van nu… ook grotendeels wup-wap (lichte, dunne, gauw versleten stof). Als je de krant er achter houdt, kun je die er doorheen lezen.

377. Herman heeft zich 'ns te zaad eten aan gekookte eieren (te veel ervan gegeten). Nu lust ie ze niet meer.

378. Moeder is meestal de hele morgen in de keuken aan 't steuren (koken) en aan 't stùdderen (werken en eten bereiden). Ze bestùddert (bestuurt, beheert) trouwens haar hele huishouden goed.

379. De gasten hadden afgesproken, de gastvrouw op stomp te zetten (voor schut, voor gek) door zo veel te eten, dat alles op zou zijn.

380. Als Tamis honger heeft, is 't 'n lust hem te begluren als ie mondgauw (etende) is. 't Laatste piesie (kruimeltje, kleinigheidje) gaat naar binnen!

381. Moeder kan van die lekkere, liemige of liemerige pap koken (dik, kleverig).

382. Je blijkt alles te kunnen eten, je hebt vast 'n bedelaarsmaag ('n uitstekende spijsvertering).

383. Op oudejaarsavond had moeder boffers gebakken (kleine, dikke pannekoek, waarin gist gebruikt is) en bollebuisies (poffertjes).

384. Moeder liet de spinazie uitdruipen op de gatenbak (de vergiet).

385. Dat brood is daaiig (klef, ongaar).

386. Je moet de spinazie net glis-onder in de pan op 't vuur zetten (precies onder water en niet meer).

387. Ik ga weg, want ik wil eterstoid thuis wezen (etenstijd; meestal is hiermee bedoeld de tijd van 't warm-eten, ± 12 uur).

388. Die vervelende meiden zaten in 'n hoek van de kamer te gninniken te gniffelen (grinniken, onderdrukt lachen).

389. A. Gedag, hoor, de groeten aan je volk (je huisgenoten, je gezin).
B. Dankie, vansgloike (dank je, ingelijks, hetzelfde).
Die Piet Hoek is nog volk van me (familie).

390. Hij was zo verlèndig dat ie er van alles uitbraakte (uitermate boos, woedend).

391. De koffie stond al enkele uren te ruttelen (pruttelen) op 't lichtje. Tante Sijpie durft je best 'n bedelaarskoppie voor te zetten ('n kopje ouwe, opgewarmde koffie).

392. Uit de volksmond hoort men voor 't woord 'handen' soms de minder beschaafde woorden vlerken, fleiken en zelfs klauwen, knorren, knoken.

393. Bij het klaverjassen gaan ik en jij spelen tegen Mien en Piet (jij en ik).
Opm.: Onder de oudere generatie hoort men nog tamelijk veel 'ik en jij'. Bij de oudere buitenbevolking roept het vousvoyeren = met u en uw spreken, nog wel wat weerstand op.
Men tutoyeert = aanspreken met jij en jou, gemakkelijker.
De jongeren passen zich aan bij het algemeen landelijk gebruik.

394. Er zijn van die mensen, die er plezier in schijnen te hebben, als ze iemand kunnen ofhalen (kwaad van hem spreken, neerhalen, z'n eer en goede naam aantasten).

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.

Westfrieslanddag 2019