Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Hé, is dat Westfries? » Pagina 120-124

Grepen uit de grammatica: 854-862

854. De Wfr. laat 'ge-' van 't voltooid deelwoord bijna altijd weg:
Ik heb ploegd, skreven, dein, eten, hoord, enz.
Ik ben gaan, uitskolden, wegstuurd, meegaan, enz.
Opvallend is, dat 't Wfr. dit 'ge-' niet weglaat als 't voltooid deelwoord gebruikt wordt als bijvoeglijk naamwoord:
Ik heb de akker ploegd.
Maar: de geploegde akker.
Wie heb de klok opwonden?
Maar: de opgewonden klok.
Jij hewwe de brief skreven.
Maar: de geskreven brief.
De kamer is net baiveegd.
Maar: de baigeveegde kamer.
Vergissing is uitsloten.
Maar: de uitgesloten vergissing.
We schreven boven 'bijna altijd'. En zijn namelijk enkele uitzonderingen:
Een krammenap voor gekramde nap;
annomen werk; de opskoten jeugd;
'n opeten manje, en wellicht nog enkele.
Wordt 'n deelwoord ontkennend gemaakt door 't voorvoegsel 'on-' dan blijft 'ge-' in 't deelwoord gehandhaafd:
Hai is trouwd. Zai is ongetrouwd.
Dat boek hew 'k lezen, maar dat are boek hew 'k ongelezen leiten.
Deuze bolle binne sorteerd, maar dat pertaaitje is nag ongesorteerd.
Dut ai is kookt, maar dat is ongekookt.

855. Het onbepaald voornaamwoord 'men' wordt meestal vervangen door 'ze':
Men zegt dat ie rijk is.
Ze zegge dat ie roik is.
Dat heeft men mij nooit gezegd.
Dat hewwe ze m'n nooit zoid.
Waarom moet men altijd kwaad van haar denken?
Weerom moete ze altoid kwaad van heur dinke?
Men luisterde bijna niet naar de spreker.
Ze luisterde temet niet nei de spreker.

856. De vragende voornaamwoorden 'wie' en 'wat' en 't bijwoord of voegwoord 'hoe' worden in het Wfr. vaak gevolgd door of of door dat, welke woorden dan overbodig zijn:
Gaan d'rs koike, wie dat er roept.
Vraag 'rs, wat of er beurd is.
Help m'n effen: ik weet niet hoe of 't moet.

857. De betrekkelijke voornaamwoorden wie, wiens en wier worden omschreven met voorzetsel of op andere wijze:
De man wie je net betaald hebt, is mijn oom.
De man die of: an wie je net betaald hewwe, enz.
De vrouw wier kinderen gestorven zijn, is bedroefd.
De vrouw die d'r kinderen of: van wie de kinderen sturven binne, is bedroefd.

858. In 't ziekenhuis heeft ie m'n (me, mij) bezocht.
Moin (mij) bezocht ie 't laatst.
Hij bezocht meer patiënten, hij kwam niet voor moin (mij) alleen.
Opm.: Hier gebruikt men dus voor het persoonlijk voornaamwoord de vorm van het bezittelijk voornaamwoord.

859. Is die jas van je broer?
Nei, 't is m'n oigen(s) (de mijne, hij is van mij).
Zijn die sigaretten van jou?
Ja, 't binne moines ((de) mijne).
Nei, 't binne jouwes ((de) jouwe).
Nei, 't binne zoines ((de) zijne).
Nei, 't binne heures ((de) hare).
Nei, 't binne hullies ((de)hunne).
Een o.i. zeer eigenaardig gebruik van moin, zoin, enz. ziet men in de volgende zinnen, waar 't bezittelijk voornaamwoord gevolgd wordt door een aanwijzend voornaamwoord.
Moin die joon (mijn jongen, mijn zoon) kan goed zingen.
Zoin die koe (zijn koe, die koe van hem) woog 800 pond.
Jouw dat hooi (jouw hooi, dat hooi van jou) is beter gewonnen dan moin dat hooi (mijn hooi, het hooi van mij).
Oos dat geld (ons geld, het geld van ons) telt niet mee tussen al die miljoenen.
Let 'ns op de plaats van 't woordje 'van' in de merkwaardige bouw van de volgende zinnen:
Tinies jurk moet de kraag van wossen worre.
Pietes auto moeten de banden van verloid worre.
Jannes skuit worre de zaikante van teerd.

860. De voornaamwoordelijke bijwoorden 'waarvan', 'waarin', 'waaraan', 'waardoor', enz. worden in 't Wfr. vaak deer … van, deer … in, deer … an, deer … deur, enz.
De boerderij, waarover jij 't had …
De boerderai, deer jij 't over hadde …
De moord, waaraan hij schuldig was …
De moord, deer hai skuldig an was …
Vondels gedichten, waarvan ik telkens weer geniet …`
Vondels gedichten, deer ik iedere keer weer van geniet …

861. Als gebiedende wijs (de gebodsvorm) van de éénlettergrepige werkwoorden doen, gaan, staan, zien, slaan, gebruikt de Wfr. de infinitiefvorm:
Doen je best, moid.
Gaan an je werk, joon.
Staan niet te suffen, man.
Zien dat je klaar komme.
Slaan je d'r maar zo goed mogelijk deur.
De aanvoegende wijs (de wensvorm) van werkwoorden wordt maar in 'n paar vormen gehoord:
Leve de koningin!
Bruidspaar, God zegene u beiden.

862. LIGGEN-LEGGEN.
Ik heb in bed loid (gelegen).
't Schip loit in de haven (ligt).
Je kleren leggen op de stoel (liggen).
We laggen te slapen (lagen).
Ik heb het kindje in bed loid (gelegd).
Jé, ik meende, dat moeder het kindje zo juist in bed lag (legde). Nee, toch niet, ik heb 't er in loid of: gelegen (gelegd).
Ik moest omrijden, omdat de weg omloid of: omgelegen was (omgelegd).
Opm.: Het juiste gebruik van de woorden 'liggen' en 'leggen' is voor de Westfries moeilijk, zoals trouwens ook voor veel mensen uit andere provincies. Met onderstaande hulpmiddelen kun je tot een juist gebruik komen.
a. 'Liggen' is een sterk werkwoord, d.w.z. in de verleden tijd verandert een klank in de stam en het voltooid deelwoord eindigt op -en: ik lig, ik lag, ik heb gelegen.
b. 'Liggen' geeft een rusttoestand.
c. 'Liggen' kunnen we vergelijken met en vervangen door 'zitten'. Het klinkt dan als behoorlijk Nederlands in onze oren. Voorbeelden: Ik lig (zit) op mijn bed. Gister lag (zat) ik in het gras. Wie heeft op die bank gelegen (gezeten)?
a. 'Leggen' is een zwak werkwoord, d.w.z. de verleden tijd wordt gevormd door -de achter de stam, terwijl het voltooid deelwoord niet op -en, maar op -d eindigt.
Ik leg, ik legde, ik heb gelegd.
b. 'Leggen' drukt een beweging uit.
'Leggen' kunnen we vergelijken met en vervangen door 'zetten'. Het klinkt dan als behoorlijk Nederlands.
Voorbeelden:
Heb jij dat boek weggelegd (gezet)?
Ik leg nooit een boek weg (zet).
Wie legde de stenen in de straat (zette).
Na enige oefening met dit eenvoudige hulpmiddel zul je gemakkelijk kunnen bepalen, of je in het gesprek of op papier een vorm van 'liggen' of van 'leggen' moet gebruiken.
Samenvatting van het hulpmiddel:
ik lig, ik lag, ik heb gelegen
(ik zit, ik zat, ik heb gezeten).
ik leg, ik legde, ik heb gelegd
(ik zet, ik zette, ik heb gezet).

 


Hé, is dat Westfries?

649. Loop je straks even aan: ik heb 'n boskip an je (iets met je te bespreken).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.