Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Hé, is dat Westfries? » Pagina 124-127

Grepen uit de grammatica: 863-867

863. Moeilijker dan het juist gebruik van 'liggen' en 'leggen' is het onderscheid tussen 'kunnen' en 'kennen'.
De Westfries haspelt ze dan ook dikwijls door elkaar. Daarom vooraf de vervoeging van beide werkwoorden:

K U N N E N (een onregelmatig werkwoord)

tegenw. tijd:
ik kan
je kunt
hij kan
wij kunnen
u kunt (of: kan)
zij kunnen
Voltooid deelwoord: gekund
verleden tijd:
ik kon
je kon
hij kon
wij konden
u kon
zij konden


K E N N E N (regelmatig, zwak werkwoord)

tegenw. tijd:
ik ken
je kent
hij kent
wij kennen
u kent
zij kennen
Voltooid deelwoord: gekend.
verleden tijd:
ik kende
je kende
hij kende
wij kennen
u kende
zij kenden


In het Westfries is de vervoeging voor beide werkwoorden hetzelfde; ik ken of: kin – ik kon – ik heb kend of: kind (of: keunen). Sommige Westfriezen vervoegen als volgt:
ik ken of: kin – ik kon – ik heb kend of: kind (of: keunen).
Voorbeelden: Ik kin (ken) dat meisje niet. Ik heb haar nooit kind (gekend). Kon jij haar (kende)? Wel nee, hoe kin (kan) ik haar nou kinne (kennen)? Kin (kun) je goed levertraan innemen? Nee, dat heb ik nooit kind of: keunen (gekund). Wij konne niemand uit het gezelschap (kenden).

Hier volgen nog een paar aanwijzingen voor het juist gebruik van beide woorden: 'kennen' betekent in het Ned.:
a. weten wie iemand is of hoe iets is; herkennen:
Ik ken die man aan zijn zonderlinge kleren.
Ken je die man, die daar loopt?
Jan kent z'n pappenheimers.
Zij kent geen liefde.
b. geleerd hebben: Piet kent z'n les niet.
Hij kent z'n taal niet goed, maar hij kent wel z'n vak.
c. erkennen, er in betrekken: Voordat ik een besluit neem, wil ik mijn vader in deze zaak kennen.
De burgemeester wil graag gekend zijn in zaken van enig belang.

'Kunnen' betekent in het Ned. o.m.:
in staat zijn, bij machte zijn; verstand hebben van; mogen.
Ik kan u niet helpen. Je kunt goed etaleren.
Als je je werk af hebt, kun je wel naar huis gaan.
Belangrijk voor het onderscheid tussen 'kennen' en 'kunnen' is dat men altijd 'kunnen' – of een vorm daarvan – moet gebruiken, als er in de zin een heel werkwoord, d.w.z. een infinitief staat, die bij dat 'kunnen' behoort.
Voorbeelden: Hij kan al goed zwemmen (kan … zwemmen).
Je kunt niet eens goed lezen (kunt … lezen).
Zij kon haar fout niet goed praten (kon … praten).
Ook als men die infinitief er bij kan denken, gebruikt men een vorm van 'kunnen': Het schroefje kan niet los (gedraaid worden) – (kan … worden). Je kunt dus niet mee (gaan) – (kunt … gaan). Uit die lap kan geen rok (gemaakt worden) – (kan … worden).
Ga nu 'ns na, waarom de volgende vormen goed gebruikt zijn. Hij kent zijn les wel, maar hij kan hem niet opzeggen.
Als hij het kaartspel goed kent, waarom kan hij dan niet even mee spelen?
U kent me wel, maar u kunt niet op m'n naam komen.

864. Voor vrouwelijke dieren gebruikt de Westfries altijd de voornaamwoordelijke aanduiding van het mannelijke dier. Eenvoudig gezegd: hij gebruikt voor de kat en de kater beide het woord 'hij'. Bv.: De koe is vet; hij (zij) moet binnenkort naar de markt. Zijn (haar) volgende baas zal wel een slager zijn.
Opm.: Dit verschijnsel is niet alleen West fries of Noordhollands, maar vrij algemeen gebruikelijk in het noorden van ons land.

865. Een veel voorkomend verschijnsel in het Westfries is, dat men bijzinnen van tijd laat beginnen met 'al'. In het Ned. beginnen deze zinnen met 'als'.
Dit is misleidend, omdat 'al' in het Ned. in dit geval zou betekenen: 'ofschoon', 'hoewel'. Let ook op de woordvolgorde!
a. Al komt hij straks, dan zal ik hem vriendelijk ontvangen.
(In het Ned. luidt de zin: Als hij straks komt, dan … )
b. Al ben ik klaar, wat moet ik dan doen?
(Ned.: Als ik klaar ben, wat … )
c:. Al regent het straks niet meer, mag ik dan weer buiten spelen?
(Ned.: Als het straks niet meer regent, … )
d. Al vraagt hij me ten huwelijk, dan antwoord ik bevestigend.
(Ned.: Als hij me ten huwelijk vraagt, … )

'Al' is wel goed Ned., maar betekent dan o.m. 'ofschoon', 'hoewel'. Goed Ned. is het in de volgende zinnen:
1. Al is hij oud, hij leest nog zonder bril (betekent: Ofschoon hij oud is, enz.).
2. Zij wordt niet verwend, al is ze 't jongste kind (betekent: Ofschoon zij 't jongste kind is, enz.).
3. Al is het weer slecht, wij gaan toch uit (betekent: Hoewel of ofschoon het weer slecht is, enz.).

Opm.: Als u twijfelt, of u het woordje 'al' goed gebruikt hebt, probeer dan of u er een zin van kunt maken met 'ofschoon' of wel met 'wanneer'. In het eerste geval was uw zin goed, in het tweede geval foutief.

866. In West-Friesland gebruikt men tamelijk veel het voegwoord 'dat', wanneer het Ned. 'toen' zou gebruiken.
Hier volgen enkele van die dat-zinnen:
Dat (toen) ik thuiskwam, moest ik direct aardappelen schillen.
Net dat (toen) ik het zei, kwam ze binnen.
Dat (toen) hij z'n zieke vader zag, schrok hij even.
Dat (toen) ik die fiets kocht, waren ze nog niet zo duur.

867. In het Ned. mag men zeggen:
1. Zou-ie hem hebben gezien?
Zou-ie hem gezien hebben?
De Westfries gebruikt altijd de woordorde als in het laatste geval: Zou-ie 'm zien hewwe?
2. Ze vertelden, dat ze lekker hadden gegeten of: gegeten hadden.
Westfries: Ze vertelde, dat ze lekker eten hadde.
3. 't Heeft zo moeten zijn.
Westfries: 't Heb zo weze moeten.
4. Wie zou er zijn binnen gekomen (of: binnen gekomen zijn)?
Westfries: Wie zou er binnen kommen weze?
5. Ik moest die man nooit hebben ontmoet (of: ontmoet hebben).
Westfries: Ik most die man nooit ontmoet hewwe.
6. Ik zou nooit met hem willen trouwen (of: trouwen willen).
Westfries: Ik zou nooit mit 'm trouwe wille.

 


Hé, is dat Westfries?

484. Aan de lucht te zien kon 't morgen wel 'ns snei-jagen (sneeuwen).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.