Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Boeken » Hé, is dat Westfries? (deel I) » Pagina 21-22

Woorden en uitdrukkingen: 95-111

95. Wat betaalde hij voor die ouwe piano? O, hij gaf er maar een flurt (een beetje, een schijntje, een appel en een ei) voor.

96. Is zij een zuinige huisvrouw? Nee, net-aarsom (integendeel), ze is opmakerig (verkwistend).

97. Die huismoeder is helder-en-skoon (proper, zindelijk).

98. Je mag buurvrouws kamers en bedden en kasten elk ogenblik bekijken, 't is een tuk minsie (een proper vrouwtje).
Ja, buurman heeft een tuk woif (een zindelijke, propere vrouw); je kunt bij haar wel eten van de vloer.

99. Die huishoudster is een goeie bestruk (ze is ordelievend, voor haar taak berekend; ze besteedt alle zorg aan haar huishouden. Lees: be-strùk).

100. Dat is een reddig (redzaam, handig, flink) meisje.

101. Die vrouw is lang niet skoon (niet proper, niet zindelijk in haar huishoudelijk werk). 't Is een echte kladdebutter (een smeerpoes, een morsebel, een totebel, een vuile vrouw).

Ja, 't is een kladdig mins (een vrouw, die van nature niet proper is).
M'n tante is wel proper, maar ze is met haar werk nooit skoon-voor (klaar, 't werk is nooit 'ns af). Ook met haar betalingen is ze nooit skoon-voor (vrij van schuld).

102. Die vrouw is elke middag aan de flort (de deur uit, bv. naar de buren om een praatje).

103. Ik heb knoffelige (verkleumde) handen gekregen op de fiets.
Als ik straks in de warme kamer kom, zullen ze wel kimmelen (prikkelen). Ik zal ze eerst maar warm beuken (de armen krachtig over de borst slaan, zodat de rechterhand tegen de linkerbovenarm slaat en de linkerarm tegen de rechterbovenarm).

104. Ik moet m'n bienen (voeten) nog wassen.
Ik kwam op m'n tonen (tenen) de kamer binnen.

105. Meester, hij kneep me in m'n bil (bovenbeen, dijbeen).
'Bil' is in het Ned. een deel van het zitvlak. Bv.: 'Piet kreeg voor z'n billen', een pak voor z'n broek.

106. Dat kind keek me aan met mooie glande (heldere, grote) ogen.

Afbeelding pagina 22

107. Wat zit m'n haar in de tist (in de tis, verward).

108. Toen ik hem vroeg, of hij er wat van afwist, stond hij maar wat te gloimen (glimlachen).

109. Anneke werd zo door de andere kinderen geplaagd, dat ze begon te piepen (huilen).
Het kindje in de wieg lag bijna de hele nacht te pieperen (lichtelijk huilen, zeurende huilen).
Pas tegen de morgen zakte het of (sliep het in).
's Middags na het eten word ik altijd lui (slaperig); soms zak ik of (slaap ik in) in m'n stoel.
Hij raast en tiert nog, maar z'n boze bui zal wel ofzakken (bedaren).
Opm.: 'lui' en 'afzakken' zijn wel Ned. woorden, maar in bovenstaande voorbeelden is het gebruik Westfries.

110. Voordat ik naar de kerk ga, moet ik nog effen nodig (naar het toilet, naar de w.c.).

111. Meester, hij zit allemaar te kwatten (voortdurend te spuwen of spugen).

 


Hé, is dat Westfries?

305. Als er sneeuw of ijs is, halen de kinderen de toog (prikslee) van de zolder.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.