Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Boeken » Hé, is dat Westfries? (deel I) » Pagina 23-24

Woorden en uitdrukkingen: 112-137

112. Ik ben allemaar louf (voortdurend moe).
Greetje zegt: Moeder, als ik op de fiets rij, willen die vervelende jongens me allemaar (telkens weer) teugen (tegenhouden).

113. Gister was vader jarig. Moeder had aldoor veel drukte.
Vandaag is ze nog erg verreisd (moe, vermoeid, afgemat).

114. Ik ben miers (of: miersk) (ik heb trek in iets hartigs).

115. Piet had gevoetbald bij snikheet weer. Wat zag-ie er verboeft uit! (rood en bezweet).

116. Je kunt zien, dat hij gister naar de kermis is geweest; wat ziet-ie er verhouwen uit (katterig, verlept, onfris).

117. Hij ziet er uit als een gijp (bleek, verlept).

118. Ik heb de hele dag in buiten (buiten) in de koud (kou) gewerkt; nu ik bij de kachel zit, word ik rozig (warm met hoogrode kleur).
Opm.: Koud is wel Ned., maar alleen als bijvoeglijk naamwoord bv. een koud huis - je gezicht is koud.
Als zelfstandig naamwoord moet het zijn 'kou' of 'koude', maar 'koude' klinkt in de spreektaal te deftig.

119. Ik kon me in bed niet bewarmen (verwarmen).

120. Wat scheelt je? „Ik heb de koud te pakken” (ik heb kou gevat).

121. Door verkouwenis (verkoudheid) ben ik erg don in m'n hoofd (ik voel een zware druk in m'n hoofd).

122. Ik word beslist verkouden, ik moet voortdurend fniesen (niezen).

123. In de winter heb ik veel last van sprose (ruwe, gebarsten) lippen.
Opm.: Men zegt ook sprose handen.
Voor ruwe, harde handen zegt men in 't Westfries ook: zore handen.

124. 't Is jammer dat die jongen zo hakkert (hakkelen, stotteren, stamelen).

125. Die oude man wordt stoetelig (stuntelig).
Ja, 't wordt echt een stoetel (hij wordt onredzaam, onbeholpen, onhandig).

126. Vader zat de hele avond te bremmen (gedempt hoesten, staccato-hoesten; soms als aanwensel, soms als teken van onrust).

127. Ik kon geen levertraan innemen, ik begon ervan te vrouken (walgen, kokhalzen).

128. Een maagpatient kan lang niet alle voedsel vernéren (verteren).
Die bittere opmerking van m'n buurman kon ik niet best vernéren (verwerken).

129. Hij kan vandaag niet schrijven: hij heeft een zwel (gezwel, zweer) aan zijn vinger.

130. Wat is dat voor een bonk (of: bonkie) op je hand? (een puist, een verdikking).

131. Als ik wondjes heb, genezen ze niet gauw; ze grutten (etteren) maar door.

132. Ik heb m'n hand verbrand (gebrand).
Dat huis is door het onweer verbrand (afgebrand).
133. Is je vader ziek? Wat mekeert-ie? of: Wat bekeert-ie?
(Wat mankeert-ie? Wat scheelt hem?)

134. Vorige week was moeder nog zwaar ziek; nu is ze gelukkig al heel wat beterder (beter). Haar kleur verraadde al maandenlang, dat ze wat onder de leden had (een kwaal of ziekte had).

135. Dat jongetje is niet van verstand ontbloot en toch kan hij in het nieuwe leerjaar niet de haal beet kroggen (op dreef komen, de slag ervan te pakken krijgen).

136. De zieke lag te vroeten (woelen) in bed.
'Wroeten' is wel Ned., bv. in:
Het varken wroet met de snuit in de grond.
In die familie-ruzie moet je niet gaan wroeten (stokers).

137. Hansje is een kalm rustig kind, maar Keesie is een woeg (druk, ongedurig, beweeglijk) ventje.

 


Hé, is dat Westfries?

460. Hij heeft 't wild in de bienen (hij is erg gehaast, bv. in z'n werk). In z'n haast stroffelde (struikelde) ie over 'n steen.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.