Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Boeken » Hé, is dat Westfries? (deel I) » Pagina 53-54

Woorden en uitdrukkingen: 405-426

405. Ik heb gister m'n tuintje gespit. Toen 't klaar was, had 'k 't end in de bek of: had ik 't jak an (ik was doodmoe, ik kon niet meer).

Afbeelding pagina 53

406. Kind, wat zit je toch te skrobben (schurken).

407. Och, vergeef 'm maar wat: hij is een arme skrobber ('n arme drommel of: een stumper(d), een stakker(d)).

408. Ik voel me zangerig (lusteloos en wat vermoeid).
De pap is zangerig (licht aangebrand). Vgl. 289.

409. Jij hebt een paar woortjes (wratten) op je hand en ik heb een stoig of: stoiger (zweertje, strontje) op m'n oog.

410. Hij is nog maar een snotkukel of: snotkiekel (snotjongen, snotneus).

411. Ons Vera spukelt (ze is in het beginstadium van een kennismaking) wat met Gerard van de koster.

412. Tante Gré heeft wel een mooie mantel, maar 't kleurtje vind ik wat speurig (opzichtig, wat te hel).

413. Ik heb trek in wat snakkerigs (hartigs), maar 't moet niet zo broin zout (heel erg zout) wezen.

414. We moeten 'ns wat schoenveters in huis hebben voor de breek (als reserve).

415. Die man van Dieuw is een mietje, een kappenaaister (een man die graag vrouwenarbeid doet en in z'n gesprekken wat vrouwelijk aandoet). Die van Tinie is ook een miesker (een Jan Hen, een bemoeial).

416. Wat is 't mal (broeiig) weer; alles slaat vochtig aan. En ons huis is toch al zo drem (vochtig).

417. Ik verskrookte (schroeide) m'n jas aan de kachel.

418. Z'n vrouw is gestorven en nu is-ie boekie-zoek (voelt zich eenzaam en verlaten).

419. We gaan nog niet; we wachten even tot de grootste gons (massa) van de kerkmensen voorbij is.

420. Tijdens de voorstelling in de toneelzaal zat een groepje jongelui achterin te grielen (giechelen). Ja, de bezoekers zijn alshans (van allerlei slag).

421. Hoe zit-ie er bai (Hoe is z'n vermogenstoestand)? Nou, hij had een flink vermogen, maar hij heeft 't in de loop van z'n leven gaandeweg verrutteld (verkwanseld, versjacherd).

422. Door haar knappe gezicht is ze altijd even aan de voorhaal (bevoorrecht, in 't voordeel).

423. In m'n toom biggen zit een achterkomertje (achterblijvertje) en een verdeiger (een die helemaal niet gedijt).

424. De zieke is stug (erg ziek en daardoor sill en lusteloos).
Opm.: 'Stug' betekent in het Ned.: stroef, stuurs, onvriendelijk, bv.: Men spreekt wel eens van stugge Westfriezen....

425. Ik was temet (bijna, zowat) te laat voor de bus.

426. Hij had te vlug gereden in de bebouwde kom en kreeg een boete van ƒ 25,-. Hij was voorgoed beleerd of: toekocht (afgeleerd, had er genoeg van, deed 't nooit meer).

 


Hé, is dat Westfries?

323. Op carnaval had ie zich verkleed; hij zag er kakkelollig uit (potsierlijk, belachelijk, als 'n hansworst); de meesten konnen 'm geniesen (herkenden 'm niet eens).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.