Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Boeken » Hé, is dat Westfries? (deel I) » Pagina 62-64

Iets over woordorde, woordsoorten, meervoudsvorming, zinsdelen,vervoeging, verbuiging, woorvorming, uitspraak, enz.: 478-481

478. Er zijn enige werkwoorden, waarvan de Westfries dikwijls een andere verleden tijd gebruikt. Vaak wordt dan de ie- of i-klank een o-klank.
Bv.:
Hij holp me nooit (hielp).
De jas hong aan de muur (hing).
Ze gong te laat weg (ging).
Piet vong een vogeltje (ving).
Ik ontvong of: vong geld (ontving).
Heb je al geld vongen (ontvangen)?
't Wier me die avond wel wat te laat (werd).
Wat gouwe de biggen vandaag (golden)?
Opm.: In West-Friesland hoort men van de Nederlands sprekende bevolking heel dikwijls gevangen in plaats van 'ontvangen':
Heb je al geld gevangen? Ook: ingevangen.
Wellicht is dit gebruik ook buiten West-Friesland ingeslopen.

479. Let 'ns op de vervoeging van 'zijn' in het Westfries:
Ik ben arm.
Jij benne arm (bent).
Hai of zai is arm.
Wai benne arm (zijn).
Zai (meervoud) benne arm (zijn).
Opm.: Voor ben en benne hoort men ook bin en binne.
Het voltooid deelwoord van het werkwoord 'zijn' is 'geweest', in het Westfries weest.
Nu gebruikt het Ned. bij dit deelwoord een vorm van 'zijn' als hulpwerkwoord. Dus niet een vorm van 'hebben', zoals het Westfries doet.

Voorbeelden:
Ik heb nei Hoorn weest (Ned.: ben).
Jij hewwe niet mee weest (Ned.: bent).
Hai heb er nag nooit weest (Ned.: is).
Wai hewwe d'r ok nooit weest (Ned.: zijn).
Zai hewwe d'r wel weest (Ned.: zijn).
In zinnen als de onderstaande gebruikt de Westfries niet het werkwoord 'zijn' maar 'wezen', dat ook goed Ned. is.
Zou hij arm zijn?
Zou-ie arm weze?
Ik zou geen politieagent willen zijn.
Ik zou gien pelitieagent weze wille.
't Kan wel zijn.
't Kin wel weze.
Je behoeft geen onderwijzer te zijn om te kunnen rekenen.
Je hoeve gien onderwoizer te wezen, om rekene te kinnen.

480. Let 'ns op de vervoeging van het werkwoord 'doen' in het Westfries.
Ik doen dat liever niet (doe).
Jij doene dat liever niet (doer).
Wij doene dat liever niet (doen).
Zij (mv.) doene dat liever niet (doen).
Hetzelf de gelds voor de werkwoorden gaan, slaan, staan en zien.
Met je of jij als onderwerp voor het werkwoord geplaatst, gebruikt de Westfries altijd een vorm van het werkwoord, die op een e eindigt, zelfs bij de sterke werkwoorden in de verleden tijd.
Het Ned. gebruikt dan in de tegenw. tijd de stam + t, maar in de verleden tijd alleen de van klank veranderde stam. Voorbeelden:
tegenw. tijd:
jij geve niet veel weg (geeft).
jij kenne die man niet eens (kent).
je prate maar raak (praat).
je zegge niet veel (zegt).
jij binne gauw tevreden (bent).

verleden tijd:
jij gavve me geen kans (gaf).
je mochte niet komen (mocht).
jij zagge me niet (zag).
je stonde (of: stinge) in de weg (stond).
jij wazze te laat (was).

481. LIGGEN-LEGGEN.
Ik heb in bed loid (gelegen).
't Schip loit in de haven (ligt).
Je kleren leggen op de stoel (liggen).
We laggen te slapen (lagen).
Ik heb het kindje in bed loid (gelegd).
Jé, ik meende, dat moeder het kindje zo juist in bed lag (legde).
Nee, toch niet, ik heb 't er in loid of: gelegen (gelegd).
Ik moest omrijden, omdat de weg omloid of: omgelegen was (omgelegd).
Opm.: Het juiste gebruik van de woorden 'liggen' en 'leggen' is voor de Westfries moeilijk, zoals trouwens ook voor veel mensen uit andere provincies. Met onderstaande hulpmiddelen kun je tot een juist gebruik komen.
a. 'Liggen' is een sterk werkwoord, d.w.z. in de verleden tijd verandert een klank in de stam en het voltooid deelwoord eindigt op -en: ik lig, ik lag, ik heb gelegen.
b. 'Liggen' geeft een rusttoestand.
c. 'Liggen' kunnen we vergelijken met en vervangen door 'zitten'. Het klinkt dan als behoorlijk Nederlands in onze oren.
Voorbeelden: Ik lig (zit) op m'n bed. Gister lag (zat) ik in het gras. Wie heeft op die bank gelegen (gezeten)?

a. 'Leggen' is een zwak werkwoord, d.w.z, de verleden tijd wordt gevormd door -de achter de stam, terwijl het voltooid deelwoord niet op -en, maar op -d eindigt.
Ik leg, ik legde, ik heb gelegd.
b. 'Leggen' drukt een beweging uit.
'Leggen' kunnen we vergelijken met en vervangen door 'zetten'. Het klinkt dan als behoorlijk Nederlands.
Voorbeelden:
Heb jij dat boek weggelegd (gezet)?
Ik leg nooit een boek weg (zet).
Wie legde de stenen in de straat (zette).
Na enige oefening met dit eenvoudige hulpmiddel zul je gemakkelijk kunnen bepalen, of je in het gesprek of op papier een vorm van 'liggen' of van 'leggen' moet gebruiken.
Samenvatting van het hulpmiddel:
ik lig, ik lag, ik heb gelegen
(ik zit, ik zat, ik heb gezeten).
ik leg, ik legde, ik heb gelegd
(ik zet, ik zette, ik heb gezet).

 


Hé, is dat Westfries?

400. Die twee oudjes kunnen leuk koetelen (met elkaar hun huishoudelijke bezigheden, enz. doen). We laten ze maar wat koetelen (begaan, hun gang gaan, zonder ons ermee te bemoeien).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.