Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1948 » No. 12 » pagina 378-383

Op Doorreis ...

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 3e jaargang, 1948, No. 12, pagina 378-383.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: E. Kroeskop.

Winterbegin. Met de rijmelende klinkklank en de rossige lichtjes van de Sint Maarten-keuveltjes zijn we in de November-maand reeds weer over de drempel van het winterseizoen gestapt. Allerwegen hebben we weer kunnen ervaren,lhoe taai en diepgeworteld die oude, meestal reeds volkomen onbegrepen volkstradities toch zijn. Tien jaar geleden constateerde Dr P. J. Kruyt reeds met enige verwondering, dat juist in een streek als de Zaan, ondanks de industrialisering, zoveel van de oude folklore kon blijven voortleven. En nog steeds horen we elk jaar weer de oude liedjes, die „turref” laten rijmen op „murref” en „broeken” op „schorteldoeken”. Oudere en jongere traditie-bestanddelen van de meest verschillende herkomst hebben zich in dit populaire kalenderfeest samengekit, rondom de geliefde figuur van de Frankische heilige, die omstreeks het jaar 400 overleed. Als een magneet heeft deze vereerde gestalte allerlei elementen tot zich getrokken: onbewust zoeken naar een „kalenderpersonificatie” aan het nabije winterbegin, maar ook oogstgebruiken en zelfs primitief lentefeestbetoon vloeiden er tezamen. Een chaotische verglijding dus van allerlei markante tijdstippen uit de oude feestkalender en alles min of meer beïnvloed door de edele geest van liefdadigheid van de christelijke naamgever. In deze wonderlijke chronologische verschuivingen ligt mogelijk ook een bescheiden begin voor de benadering van het nog nooit opgeloste probleem, waarom de jeugd te Hoorn zijn Sint Maarten in de zomer viert.

Wij mogen hier melding maken van het feit, dat verschillende culturele organisaties in ons gewest zich wederom belast hadden met de taak de viering van het lichtjesfeest in goede banen te houden, of te herleiden. Maar al te vaak ontaardden de oude kalenderfeesten, die grote stukken, naar de wereld van kinderen en eenvoudigen „omlaag gezonken cultuurgoed” in zich dragen, tot drinkpartijen, bedelomgangen en baldadigheden. Eeuwen geleden vierden ook de aanzienlijken en de volwassenen hun Sint Maarten, er is een brief waarin niemand minder dan de Prins van Oranje aan zijn broeder schrijft, dat hij Sint Maarten van 1563 in grote vrolijkheid vierde. Maar de klachten over de uitspattingen der „jonge boefkens” gaan tot nog oudere datum terug! Thans streeft men er bewust naar oude, nog levende gebruiken opnieuw zin en vorm te geven, hetgeen iets heel anders is dan romantische verering van onbegrepen oude gebruiken. Reeds een kwart eeuw geleden organiseerde de leiding van een Dorpshuis ergens in Groningen een wedstrijd in zelf gesneden Kip-Kapkogels: de uit rapen of mangelwortels gesneden „kaarslantaarns”, die zo'n aardig lichteffect geven. In die naam Kip-Kap-kogel leeft vermoedelijk voort het middeleeuwse woord: Kovel, een oud hoofddeksel in de vorm van een kap of een karpoes. Via de Westfriese vorm daarvan, nl. „keuvel” voor Sintmaartenslichtje zijn we weer in eigen gewest terug. De Jeugdraad in Hoorn bemoeide zich reeds op verdienstelijke wijze met de viering van Sint-Maarten-in-de-zomer, folkloristisch nog interessanter door de daarbij rondgedragen versierde en verlichte „tafeltjes”. De Wormer Gemeenschap stelde prijzen beschikbaar voor zelf gemaakte lampions en transparanten. Te Wormerveer zorgde een commissie uit de Speeltuinvereniging voor de organisatie van een soortgelijke lichtjes wedstrijd en in Alkmaar en Schagen namen de Vrije Alkmaarder en de Nieuwe Schager Crt het initiatief een attentie beschikbaar te stellen voor de kleine dragers van de mooiste keuvel. Uit Edam, waar zelfs Amsterdammers kwamen om het bekoorlijke St. Maartensspel te zien, lazen wij een bericht dat uiting gaf aan een zekere ontstemming over het gebrek aan voldoende leiding.

Een oude Stelphoeve op non-actief. Wij hadden het in onze vorige kroniek over het beschutte plekje, dat een rustig begrip voor de eisen der moderne ontwikkeling, gepaard aan liefde en eerbied voor de levensvormen van ons voorgeslacht, bereid hebben aan die monumenten, welke in hun oorspronkelijke omgeving maar zouden afzakken tot armlastige sta-in-de-weg. Deze keer moeten we vertellen van een Westfriese boerderij, gedateerd op het jaar 1745 te Zuid-Scharwoude. Zij gaat de lange reis naar het Openlucht museum op de Waterberg in Arnhem aanvaarden, die oudere zuster van ons groeiend Zuiderzeemuseum.

Zij zal daar zeker een goed plaatsje vinden, bij andere monumenten van boerenbouwkunst, die het moderne tempo niet konden bijhouden, bij stoere oude molens ook, wier papieren in de strijd om het bestaan al weer niet in koers stegen, nu er uit Hensbroek tijding kwam, dat ook de „ver-dekkerde” windwatermolen de waterstand niet op het gewenste peil kan houden. Van de genoemde boerderij werd de eerste steen in 1745 gelegd door een piepjonge telg uit het bekende geslacht Van Twuyver, waarvan de naam tot vandaag de dag bewaard is in de Twuyverweg tussen Pancras en Broek. De oude stelp moge dan een beschut plekje vinden, het blijft een „noselijk” geval voor goed afscheid te nemen van zo'n ouwe getrouwe.

De mooie stelp- of stolphoeven zijn in het laatste tiental jaren het voorwerp van een zeer zorgvuldige studie geweest, die heel wat oude voorstellingen naar het rijk der legende verwees. prof. Gallée had in 1907 bij zijn verdienstelijk pionierswerk op het gebied van de historie der boerderijtypen, de fout gemaakt de Stelp te zien als het oudste, meest oorspronkelijke type, de grondvorm van het Friese boerenhuis. Hij dacht zich de stelp reeds in de vroege Middeleeuwen, lang voor de afscheuring van ons gewest van Midden-Friesland door de Zuiderzee, als de gewone boerderijvorm in geheel Friesland. Uit deze grondvorm zouden dan later „nieuwere” ontwikkelingsvormen zijn ontstaan, b.v. de huizen „met een voorend” of „met een staart”. Omvangrijk onderzoek bracht aan het licht, dat de door de Professor ontworpen ontwikkelingslijn onjuist was, dat de verschillende boerderij typen historisch eerder in omgekeerde volgorde geplaatst moeten worden: De stelp, waarbij alle woon- en bedrijfsruimten als het ware door één machtige stolp, het monumentale pyramide-dak, overkoepeld worden, is niet „de” grondvorm, maar juist een jonger type, ontstaan in de eerste helft van de 17de eeuw! In de huidige provincie Friesland was de ontwikkeling nog prachtig te volgen aan nog bestaande huizen: steeds meer bedrijfsruimte wordt onder één dak getrokken, eerst worden koehuis en afzonderlijk staande hooiberg onder één kap verenigd, en ten laatste wordt deze ontwikkelingsgang afgesloten, als ook het uitgebouwde voorhuis onder de beschuttende stolp teruggetrokken wordt. De grootste opgang maakte dit stelp-type in Friesland pas in de 19de eeuw; het vertoont een langere „naald” (noklijn) dan de Westfriese stolp. Mogelijk hebben Hollandse boeren wel de beslissende stoot gegeven tot de verbreiding van de „recente stelp-hoeve” in Friesland bewesten de Lauwers. Historisch gesproken mogen we dus gerust constateren, dat de besproken boerderij van Zuid-Scharwoude in haar soort wel een zeer oud specimen is!

Onze Streekgeschiedenis. Het aangebroken winterseizoen is de bij uitstek gunstige tijd voor onze talrijke genootschappen en verenigingen, die zich bewegen op het aantrekkelijke terrein der streekgeschiedenis. Van onze gewone pleisterplaatsen wachten al weer een reeks van verslagen en berichten. Te Zaandijk trad reeds in October de nestor onder de beoefenaars der locale historie, de heer G. J. Honig, voor het „Gezelschap Dr G. J. Boekenoogen” op met een causerie over de vroegere Beschuitbakkerijen van Wormer. De vader van de geleerde spreker schreef reeds in 1854 een studie over deze stof en later heeft wijlen de heer Lootsma nieuw licht over dit hoofdstuk der economische geschiedenis ontstoken. In de Gouden Eeuw werd de Wormer beschuit („fijne” en „scheeps” beschuit) verkocht tot in Hamburg en de Oostzeesteden. Onze schepen namen de grove soort als scheepsproviand meer naar Brazilië en de Oost, en Lootsma toonde aan, dat het z.g. „hard brood” uit de victualie-lijsten der Rijper en Jisper walvisvaarders slechts een andere naam was voor de scheepsbeschuit. Tot in het jaar 1894 is de bekende Beschuittoren in Wormer de concrete herinnering aan deze bloeiende tak van bedrijf geweest.IJverig hebben de historici gespeurd naar de oorzaken van het verval dezer industrie, die in het laatste kwart van der 17de eeuw reeds over haar hoogtepunt heen was. De Zaanse dorpen ontwikkelden zich in de economische slagschaduw van Amsterdam en de tegenstelling stad-platteland was toen heel wat scherper dan thans. De stad sloeg elke opkomende industriële bezigheid in haar invloedssfeer meedogenloos neer; zo zat Amsterdam de Wormer beschuitbakkers ook geregeld dwars. De heer Honig nu gaf aan deze abstracties vorm en leven, door het verhaal op te hangen van een predikant-Bacchusvereerder in het dorp der beschuitbakkers, die de afgunst van Amsterdam tot een vernietigend vuur aanblies. Toen de dorpsbewoners genoeg kregen van hun boemelende zieleherder en maatregelen namen hem van de hals te schuiven, wendde dit heerschap zich in de jaren na 1660 tot zijn schoonvader in Amsterdam, die daar als „belastingpachter” een lange en sterke arm bezat. Fiscale maatregelen tegen de nijvere Zaankanters waren de représaille voor het feit, dat de dorpsgemeente geen prijs stelde op een dronken kanselredenaar. Juist in deze jaren schrompelde de beschuitindustrie van Wormer snel in.

Ook het ijverige „Oud-Edam” is al weer aan de slag. Na het vertrek van de heer Kolfschoten is het penningmeesterschap voorlopig overgedragen aan de heer Klepper, terwijl de heer G. T. Vermeer zitting nam in de monumentencommissie. Na het verschijnen van het Heemschut-werkje van de heer A. A. Kok over „Edam, de schone slaapster”, bleef er nog werk genoeg aan de winkel voor geestdriftige en nauwgezette streekhistorici, die het aandurven eigen wegen te zoeken. Een sociaal-economische beschrijving van Edam wordt voorbereid door de heer Sj. de Vries te Enkhuizen, die ook reeds voor de vereniging als spreker optrad.

Van al1erlei pleisterplaatsen. Het is wel merkwaardig, dat 1948, dit recordjaar aan jubilea, ook voor vele monumenten in ons gewest een herdenkingsjaar is. Daar is in de eerste plaats het schilderachtige „oude Raadhuis” van Spanbroek, welks afbeelding reeds jaren lang het omslag van de „Westfriese Bundel” siert. Het is van 1598 en vierde dus zijn 350ste geboortedag. Burgemeester Keizer was attent en „history-minded” genoeg dit feit in een raadsvergadering met een toespraak te herdenken. Het pittige trapgevel-gebouwtje ontstond in de periode van de oude Hol1andse renaissancestijl, die gekenmerkt wordt door gemoedelijke handwerkerskunst, waarin de renaissance-elementen nog sobere decoratie zijn. Talenten uit de eenvoudige handwerkersstand konden zich in deze kunstvorm uiten; van onze kleine raadhuizen is Leeghwater's schepping in De Rijp het laatste uit deze periode, die in 1630 afgesloten wordt. Een heel wat „deftiger” geval is het eveneens jubilerende zustergebouw in Enkhuizen; dit stadhuis is precies een halve eeuw jonger, de eerste vroedschapsvergadering werd er gehouden op 22 December 1688. Dit beroemde stadhuis, ontstaan in een periode, toen de Haringstad op haar retour was, is een jongere telg van de renaissance-kunst, die geïnspireerd werd door de schone vormen van de bouwwerken der klassieke oudheid. Maar in de halve eeuw, die lag tussen het simpele stukje ambachtelijke kunst in Spanbroek en dit voortbrengsel van „hoge”, „intellectuele”” kunst-voor-de-aristocratie is er zoveel veranderd, dat we die „nieuwe” richting ook maar beter een aparte naam geven: het stadhuis van Enkhuizen is een fraai specimen van het Hol1ands klassicisme. Zijn aanhangers zoeken bewust naat zuivere klassieke vormen, zij voelen zich niet meer ambachtsman, doch „kunstenaar”, die zich bekwaamd heeft door speciale studie van de Italiaanse kunst. Jacob van Campen, de voorname heer van Randebroek, is er een typisch vertegenwoordiger van. Het simpele feit, dat dgl. „bouwmeesters” niet langer zelve op het „karwei” aanwezig zijn, laat staan meewerken, spreekt boekdelen over het grote verschil tussen de kunstvormen, die deze beide jubilerende Raadhuizen vertegenwoordigen. Steven Vennekool, de bouwmeester van het Enkhuizer stadhuis, leerling van Van Campen, „leverde het ontwerp” en was verder te Amsterdam te consulteren. Zijn „honorarium” bedroeg ƒ ; karakteristiek voor de economische situatie van de Enkhuizen, dat zich dit deftige geval toen liet aanmeten, is het feit dat dit bedrag, evenals vele andere posten uit het befaamde „kasboek” van de thesaurier Buyskes, moest worden gefourneerd uit geleend geld.

De omstandigheid, dat deze kroniek de laatste van het oude jaar is, noopt ons er toe, onze grote waardering uit te spreken voor de lange reeks van couranten uit ons gebied, die in het afgelopen jaar hun morele steun gaven aan onze Speelwagen. Het zijn: Het Vrije Volk; het Nieuw Noordhollands Dagblad; de Alkmaarse Courant, het Dagblad voor West-Friesland, de Schager Courant, de Helderse Courant; De Vrije Alkmaarder, de Nieuwe Schager Courant, Herrijzend Wieringermeerland; de Typhoon, de Nieuwe Noordhollandse Courant; de Zaanlander; de Texelse Courant; de Flevobode; de Enkhuizer Courant; de Nieuwe Langedijker Courant; de Rijper Courant. De zorgvuldige, gedétailleerde plaatselijke berichtgeving van al deze bladen bezorgde ons steeds weer rijkelijk het feitenmateriaal of het aanloopje, voor deze didactische, deze „onderrichtende” commentaren, waarin een oud-schoolman op een bankje van de Speelwagen hervindt, wat hij op het podium achter de lessenaar gedwongen was te laten varen.

E. Kroeskop

 


Hé, is dat Westfries?

428. Die zwager van je is 'n snokkere of: snukkere kerel. Als hij van de partij is, kom je vaak in 'n snokkere situatie (wat eigenaardig, wat buitenissig, meestal met 'n komisch tintje eraan).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.