Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1951 » No. 5 » pagina 130-135

Varen op kompas

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 6e jaargang, 1951, No. 5, pagina 130-135.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Chr. Nielsen.

Beschouwing over het wezen van het welstandtoezicht

Er was eens een tijd, waarin deze lage landen, met een tiende deel van de huidige bevolking, blijk gaven van grote eensgezindheid en geleid door vastberaden en kundige regeerders, zich in de wereld deden gelden op een wijze, die Sparta en Rome zouden hebben verbaasd. Niet alleen omdat een handvol schepen de zeeën beheerste, een driekleur respect afdwong, maar omdat op ieder terrein topprestaties werden geleverd die tot ver over onze grenzen het gezag en aanzien van de Nederlanden grondig vestigden.

Onze handwerkslieden, schilders, beeldhouwers en bouwmeesters hebben de opdrachten hun door kooplieden en regenten verstrekt op een wijze tot uitvoering gebracht, waar heel onze nationale trots nu nog voedsel in vindt.

De namen van hen die dit deden zijn ons, en worden onze kinderen nog dagelijks ingeprent. Hugo de Groot, de Ruyter, Tromp, Vondel, Rembrandt, Jacob van Campen, Hendrik de Keyzer, om maar enkelen te noemen, zijn evenzovele begrippen geworden en bestrijken tezamen een gebied dat men als een totaliteit kan zien van heel het vaderlandse reële, militaire en culturele leven.
Harde leerscholen leidden tot sterke vakgemeenschappen.

In die tijd groeiden onze prachtige steden als Amsterdam, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Leiden, Kampen
en Breda.
Op het platteland beheerste de dorpstimmerman de bouwsector. Hij kende zijn vak, genoot het aanzien van zijn medeburgers en was de vertrouwde van zijn opdrachtgevers. – Voor een eenvoudig man bouwde hij een eenvoudig huis. Voor een rijk man een rijk huis. – Een raadhuis gaf uitdrukking aan de hoogheid van het bestuur, zetel der overheid. De huizen waren klein, de kerken groot. – En in dit alles wisten de vaklieden meer tot uiting te brengen dan doelmatigheid alleen. –

Jan Luycken vond het de moeite waard dichtregels te wijden aan het huisraad, die ik u niet wil onthouden, omdat ze zonder meer van toepassing kunnen zijn t.a.v. de architectuur van die tijd. Hij schreef:

Leer lezen uit het grote boek
der dingen, daar ge in dit leven
't Zij op de straat of in Uw huis
Geduriglijk mee zijt omgeven.
't Zijn voor 't opmerkzaam wijs gemoed
Al vingers, die ons henen wijzen
Op 't doelwit van het hoogste goed.

De dingen die rondom ons zijn
Getuigen van een hoger waarde,
Zij heffen 't wezen boven schijn
Gelijk een hemel boven aarde.

Wij weten wat sindsdien is gebeurd.
Het leven is ingewikkelder geworden.
Niemand is meer in staat het terrein te overzien, dat hij als het zijne in het bijzonder beoefent, laat staan een oordeel te vellen.
De voortschrijdende techniek vermeerderde de mogelijkheden, ook van de vormgeving. Zij werden zó groot dat op het eigen terrein alle zeilen bijgezet moeten worden om tenminste te weten wat er alzo te koop is.

In deze tijd is er meer moed nodig om een Jaarbeurs over te slaan, dan om een goede toneelvoorstelling te verzuimen. En in de wedloop om toch vooral „bij” te blijven is iets in het gedrang gekomen, dat van wezenlijk belang is bij alles wat in het leven gebeurt, nl. bezinning t.a.v. doel en uitgangspunten, kennis van de algemene normen, besef van de plaats van de techniek als mogelijkheid, als middel om het gestelde doel te bereiken.

De kennis van de vormleer, die vroeger van geslacht op geslacht werd overgedragen, ontbreekt en is volkomen verloren gegaan. Het inzicht wèlke vormen te kiezen om iets bepaalds tot uitdrukking te brengen ontbreekt. Er is een overvloed van technisch-bekwame mensen, die, wanneer ze tot een vorm moeten komen, het niet verder brengen dan een hopeloos gestotter o.m. doordat geslachten lang de intellectuele vorming een onevenredig groot deel van de opleiding van de jonge mens beheerste en de kunstzinnige ontwikkeling en karaktervorming werden verwaarloosd. – De handigen onder hen grijpen een of andere vorm uit het verleden of iets wat ze in deze tijd ergens gezien hebben en dan gebeurt het, dat bouwwerken tot stand komen zodanig, dat een veilinggebouw het vormelijk aanzien heeft van een raadhuis, dat een school er uitziet als een fabriek en een fabriek als een vroeg-christelijke kerk; en daarmee wordt, door onbekwaamheid en onkunde, in de verschijning van onze bouwwerken de leugen onbewust versteend.

Dan zijn we ver verwijderd van de dichtregels, die Jan Luycken maakte t.a.v. „de dingen die rondom ons zijn”. Waar wijzen de dingen heen, die wij bouwden en ons daaglijks ogenbrood vormen? Gelooft u, dat men straffeloos leugen op leugen kan stapelen en dat dit niet op den duur ontmoedigend inplaats van stimulerend moet zijn voor ieder die in zo'n omgeving moet leven en werken? Er is niet altijd sprake van leugenachtige verschijning, soms is het valse romantiek, pathetiek, of gewoon iets onbehoorlijks, soms een demonstratie van onmacht. Wanneer iemand zich jegens u onbehoorlijk gedraagt, keert u zich van hem af of zet hem op zijn nummer. Doet hij dit in een bijeenkomst dan wordt hij verwijderd.

Maar in het oprichten van bouwwerken is het mogelijk om vijftig jaar of langer aan één stuk door te liegen of onbehoorlijk te zijn, en schijnbaar trekt niemand zich daar iets van aan.
En zó zijn onze dorpen en steden stelselmatig vernield en is de levendige aanblik van wat de architectuur daar bood tot een troosteloze geworden.

Om verder verval te voorkomen, om het ergste tenminste te keren, zo mogelijk om goede mogelijkheden te stimuleren, is het Welstandstoezicht in het leven geroepen. En de maatschappelijke plaats van dit Welstandstoezicht is die van een adviserend lichaam, dat de overheid van raad moet dienen t.a.v. voorgenomen bouwplannen.

Voor West-Friesland dan is na een lange voorgeschiedenis een eigen commissie gekomen, die hoofdzakelijk samengesteld is uit in West-Friesland werkzame leden. Het is onnodig hier de namen te noemen, zij doen er niet toe. De Welstandscommissies hebben dikwijls de nadruk gelegd en gewezen op het historisch schoon, en daardoor bewust of onbewust de ontwerpers gedreven in een oudbakken vormgeving, d. w.z. een vormgeving zódie geen beeld gaf van de thans verworven mogelijkheden en inzichten in het bouwen en het doel daarvan. Een beetje ligt het wel voor de hand dat zij zó deden, want het is nog altijd veiliger, gezien het algemene peil van de ingediende plannen, om een ontwerper aan te raden een bekende vorm goed te hanteren, dan hem in zijn onmacht naar nieuwe vormen te laten zoeken, die een twijfelend karakter zouden tonen. Maar het is niet waar, dat in Welstandscommissies uitsluitend mensen zitten, die alles willen vlak strijken of met door hen geliefde sopjes overgieten. Tenminste niet in de Westmese Commissie.

Daar houdt men wel van een scheve neus, of een karakteristieke misgreep. Een karaktervolle uitdrukking van het bouwwerk, met z'n eventuele compositiefouten, wordt meer gewaardeerd dan een correct vormelijke verschijning zonder geest. Er is natuurlijk altijd een zeker „innerlijk lef”", zoals iemand het noemde, nodig om de grens te trekken tussen schijn en wezen, tussen wat niet en wèl toelaatbaar is.

Voor het ontwerpen van bouwwerken is een grote mate van vakbekwaamheid, kennis van de wetten en verordeningen, kennis van de algemene vormen van het bouwen en de burgerzin betreffende noodzakelijk. En wenselijk is een zekere dichterlijke vrijheid om alle gestelde eisen zodanig te schikken, dat het eindresultaat een beeld geeft van weloverwogen gebruik van materialen en vormen. Een onderscheiding van hoofdzaak en bijzaken en het vermogen om de bedoeling der stichters van het bouwwerk, liefst in nobele vorm, tot uitdrukking te brengen.

Het ontwerpen van bouwwerken is een vak. En er is een tekort aan goede ontwerpers, een tekort aan bekwame architecten.
Wanneer hier de architect genoemd wordt, is het mogelijk dat een zekere schroom u overvalt. Dat is de man die altijd het hoofd in de wolken heeft en nooit met beide benen op de grond staat, veel geld kost en duur bouwt en dan nog... Het zijn niet alle koks die lange messen dragen.

Toen Tijl Uylenspiegel tot de conclusie kwam dat de mensen hem niet mochten, gaf hij blijk van een grote zelfkennis door te zeggen: „maar ik heb het er naar gemaakt”. Laten we hopen dat vele architecten eens zo wijs worden als Tijl, misschien volgt dan eerherstel.

Helemaal schuldig zijn de architecten zelf niet.
Want in onze voortreffelijk geregelde samenleving is het niet meer mogelijk grutterijen af te wegen zonder daartoe een diploma en vergunning verworven te hebben. Maar het ontwerpen van bouwplannen, zonder gegeven blijk van bekwaamheid, is niet strafbaar, integendeel, een uitgebreid overheidsapparaat vijlt en schaaft zo lang aan het plan, tot het uitvoerbaar wordt.

Stel u voor dat de bode van het gemeentehuis een paar maanden de taak van de burgemeester overnam. Voor een enkele keer zou dat tot kluchtige situaties kunnen leiden. Maar waar denkt u dat het aanzien van de burgemeester blijft wanneer zich dat meerdere malen herhaalt?
Welnu, wat in die positie niet mogelijk is, is schering en inslag in het beroep van de architect.
Betonwerkers, metselaars en timmerlieden ontwerpen (vooral in de provincie) de bouwplannen en om het niet al te bont te laten worden, zitten de architecten dan in de Welstandscommissie om de zaak wat op te poetsen.

Het is wel duidelijk, dat het Welstandstoezicht beschouwd moet worden als een veiligheidsmaatregel tegen alle euvelen die we opgenoemd hebben.
Het zal pas kunnen verdwijnen, in ieder geval sterk verminderen, wanneer het zo wordt dat het ontwerpen van bouwplannen daar komt waar het thuis hoort. Bij de geschoolde ontwerpers, en... wanneer de zekerheid verkregen is, dat allen die zich hiervoor uitgeven het inderdaad ook zijn.

Zolang dit echter niet zo is, zal de Welstandscommissie haar soms corrigerende, soms stimulerende, in ieder geval adviserende taak moeten voortzetten. Want geen overheid heeft blijvend gezag wanneer het zich niet in alle zaken doet voorlichten en raden, en handelt naar goed advies.
In een tijd van vormwillekeur heeft het Welstandstoezicht dan ook geen andere pretentie dan te zijn een goed kompas voor ieder die bij het oprichten van bouwwerken handelend moet optreden of daarin beslissing heeft te nemen.
In de verschijning van onze bouwwerken geven wij uitdrukking aan ons streven en leven.
Laat het zó zijn, dat wij er vreugde aan beleven.

Chr. Nielsen

Zie in lange scharen, garf bij garven staan (Foto Cas Oorthuys)
Zie in lange scharen, garf bij garven staan (Foto Cas Oorthuys)

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.