Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1951 » No. 5 » pagina 153-158

Nogmaals: Semeyns

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 6e jaargang, 1951, No. 5, pagina 153-158.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: J. F. Daarnhouwer.

De hoogst interessante bijdrage van de heer S. W. Melchior in de Juli-September afleveringen van „de Speelwagen” betreffende het Enkhuizer geslacht Semeijns, geeft mij de volgende critische opmerkingen in de pen aangaande de geslachten Semeyns en van Egmond:
De wijd en zijd bij het Kikkert-geslacht verspreide legende dat men uit Egmond zou stammen, is reeds door het speurwerk van Buyskes teniet gedaan. Door een gelukkige vondst, een schepenvonnis van 3 September 1599, ontdekte hij enige kinderen van „den Ouden Semeyns”, die voordien in geen enkel officieel stuk waren genoemd. Het betrof o.a. Gerbrand Simonsz. Semeyns, zoutzieder en lakenkoper te Enkhuizen, gehuwd met Meinu Hermansdr. Vast staat, dat een gedeelte van de thans levende Kikkerts uit dit huwlijk stamt, n.l. de nakomelingen uit het tweede huwelijk van de Kastelein van het Eierland, Albert Lambertsz. Kickert met Meynoutje Semeyns. Mannelijke afstammelingen uit zijn eerste huwlijk met Feerdutjen Freeckx bestaan niet, maar er leven nog vele nakomelingen uit zijn derde huwelijk met Grietie Jans (Kickert?) in casu de Abraham-tak, terwijl de Jan-tak vermoedelijk is uitgestorven. Deze Kikkert-takken stammen dus niet uit Semeyns.

Wij zien derhalve dat het geslacht Kikkert hoegenaamd niets met Egmond heeft uit te staan; men kan hoogstens zeggen, dat voorvader Gerbrand Semeyns een schoonzuster had, waarvan men beweerde dat zij uit Egmond stamde. Dit was dan Geert Symonsdr. van Waervershoek (of Wervershooff) „uyt Egmondt”, overl. 6 September 1604 te Enkhuizen, gehuwd met Gerbrand's oudste broer Meinert Simonsz. Semeyns, geb. vóór 1539, overl. 14 December 1606. Hun grafzerk is nog steeds te zien in de St. Gomm. Kerk te Enkhuizen en hun testament treft men aan (verleden 20. 12. 1603) in het Alg. Ned. Familieblad VII 1890 – 118. Hun wapen was: rechts (heraldisch) Semeyns — in goud vijf groene klaverbladen en links Egmond — in goud zes rode kepers.

Nu kan men bij Buyskes lezen, dat het Privilegie van Prins Willem van Nassau door hem verleend werd aan de drie broers Meinert, Pieter en Jacob Semeyns, alsmede aan hun descendenten, waarbij dus geen sprake is van de jongste broer Gerbrand, evenmin van andere kinderen of zelfs van hun vader Simon! Buyskes zegt echter in een voorwoord op zijn boek, dat het Privilegie beschouwd moet worden als een erkenning van hetgeen door vader, zoons en schoonzoons gezamelijk voor de goede zaak (des vaderlands) werd gedaan.

Er bestaan enige documenten die Buyskes' conclusie rechtvaardigen, maar later spreekt hij zichzelf weer tegen op punten, die juist voor het uit Semeyns voortgesproten geslacht Kikkert van belang zijn. Sebastian Centen geeft in zijn Historie van Enkhuizen een verklaring van Burgemeesteren dd. 1 Mei 1589, waarin gezegd wordt, dat men Prins Willem en Prins Maurits ten huize van Meinert heeft horen verklaren „dat de Semeinen naast God de aldervoornaamste oirzaken en instrumenten waren geweest van haar en der Landen welvaert, enz.” Hier is dus sprake van de Semeynen in het algemeen.

In 1603 verklaarden Burgemeesteren van Enkhuizen, dat de Staten van Holland het Privilegie hadden erkend en de wens hadden geuit dat men zelfs de onbekwame Semeynen, stammende uit Meindert, Pieter en Jacob „met andere en goede beneficiën zoud' verzien”. Hier noemt men weer alleen de drie oudste zoons, maar op 11 Januari 1613 volgt een belangrijke acte, opgesteld door Burgemeesteren van Enkhuizen, op verzoek van Mr Poulus Bartius, gehuwd met Freekje Meindert Semeyns, waarin zonder meer gezegd wordt, dat het altijd de bedoeling van Prins Willem en de Staten is geweest, dat het Privilegie ook betrekking heeft op „die geene die aen de eigen echte dochters getrouwt syn.”

In een opmerking zegt Buyskes over deze verklaring, dat de uitlegging van het Privilegie geheel willekeurig en in strijd met de letter is, doch sedertdien als regel heeft gegolden. Buyskes heeft hier volkomen gelijk; het originele Privilegie noemt uitsluitend de drie broers en hun nakomelingen (door sommigen „de drie Privilegie-takken genoemd”), terwijl Burgemeesteren van Enkhuizen op eigen gezag verklaarden, dat de schoonzoons erbij behoorden. Tevens hield dit in dat ook hun nakomelingen zich op het Privilegie konden beroepen. Dit is dan ook in de loop der tijden door verschillende leden van het geslacht Semeyns vlijtig gedaan en ook door Kikkerts, hetgeen Buyskes helemaal niet juist schijnt te vinden, aangezien hun voorvader Gerbrand Semeyns niet tot de drie Privilegie-takken behoorde. Maar waarom zegt Buyskes dan in zijn voorwoord, dat het Privilegie een erkenning was van hetgeen door vader, zoons en schoonzoons voor de goede zaak werd gedaan?

Wanneer men nu in het oog houdt dat de Kikkerts niet uit Meindert Semeyns, doch uit zijn jongste broer Gerbrand stammen, dan doen de requesten waarbij men zich op het Privilegie beriep, vreemd aan. In November 1787 is aan Prins Willem V een request aangeboden door vijf gebroeders Kikkert, waarin te lezen valt „dat de Supplianten zyn geweest achterkindskinderen van Albert Kikkert (voorgenoemde Kastelein van het Eierland), in huwlyk verwekt aan Meynoutje Semeyn, welke Meynoutje Semeyn is geweest een dochter van Paulus Semeyn, die een zoon was van Frederik Semeyn, welke is geweest een der kinderen van Meynert Semeyn, getrouwt aan den Huize van Egmond.”.

Onder Koning Willem I is op 20 Februari 1829 een verzoek ingekomen van Marytje Kikkert (dochter van een der bovengenoemde vijf broers uit de Poulus-tak van het geslacht Kikkert), zich noemende afstammelinge van Meinert Semeins, om erkenning van privilegies. In beide gevallen beriep men zich op een verkeerde afstamming, waarbij nog opgemerkt dient te worden, dat Meinert Semeyns nooit een zoon Frederik heeft bezeten! Marytje kreeg ten antwoord dat haar rechten wegens algeheel veranderde orde van zaken als vervallen beschouwd moesten worden, doch als louter gunstbewijs werd haar ƒ 200.- toegekend.

Wat niet bij Buyskes te lezen valt, zijn enige belangwekkende mededelingen van de Heer W. N. Kikkert te Amsterdam, die reeds geruime tijd geleden het „spadework” heeft verricht om tot de opstelling van de (reusachtige) Kikkertgenealogie te geraken. Ofschoon het Privilegie bij Koninklijk Besluit van 1829 vervallen is verklaard, weet men dat de Majoor-Intendant Comelis Johannes Kickert Simonsz., geb. 24.3.1846 te den Helder, zich nog op het Privilegie heeft beroepen om de mogelijkheid te verkrijgen zijn studies voort te zetten. Dit is hem gelukt!

Voorts is bekend, dat omstreeks 1940 en later door de z.g. „landelijke tak Semeyns” nog van het Privilegie gebruik werd gemaakt.

Ik wil nu nog even stil blijven staan bij de afstamming uit Egmond. Ofschoon verschillende Kikkerts zich hierop hebben beroepen en er succes mee hadden, hebben wij gezien dat zij zich vergisten. Men zal bij Vorsterman van Oyen in zijn „Stam en Wapenboek” een vrij uitgebreide Kikkert-genealogie aantreffen, kennelijk geïnspireerd door reeds lang gestorven leden van de z.g. Leidse tak, die er maar wat van gemaakt hebben. V. v. O. zegt dan ook zonder blikken of blozen, dat Meindert Semeins gehuwd was met Geertruydt van Egmond, dochter van Johan, Graaf van Egmond!

Noch bij Ferwerda, noch bij Simon van Leeuwen, noch in Hovaeus „Chronyck van Egmondt”, of in andere Egmond-genealogieën, zal men deze Geertruydt als dochter van een der vier Jannen, Graven van Egmond, aantreffen. De naam komt zelfs in het geheel niet voor bij dit geslacht.

Het in het begin van dit artikeltje genoemde testament en het grafschrift, spreken resp. van „Geertmoer Simonsdr”, en „Geert Symonsdr.”, dus niet van „Jansdr.”.

In genoemd Familieblad (een bijdrage van Buyskes) leest men dat Meinert gehuwd was met een afstammelinge van Groot Allert, bastaard van Jan, Iste Graaf van Egmond, maar men zal hem tevergeefs zoeken in de Egmond genealogieën, ofschoon soms wel andere bastaards zijn opgenomen.

Men moet dus uitsluitend afgaan op het Familiearchief Semeyns, waaruit Buyskes zijn gegevens voor zijn „Het Privilegie Semeyns” heeft geput en andere gegevens door Mr. J. de Vries van Doesburgh in enige bijdragen voor het Nieuw Ned. Biografisch Wdb. bewerkt. Of al deze mededelingen op waarheid berusten, is nog de vraag. Bewezen aan hand van officiële documenten zijn zij in ieder geval (nog) niet, ofschoon ze zeker geloofwaardig klinken.

Buyskes vermeldt o.a. het z.g. „Memoriael der Semeynen”, dat een soort boek geweest moet zijn van minstens 37 folio's, een geslachtsboom van Egmond en ingebonden verklaring van Burgemeesteren van Medemblik inhoudende, alsmede een extract uit dit Memoriael. Beide zijn verloren gegaan, doch van het extract bestaan nog afschriften uit 1626. In deze afschriften valt o.a. te lezen, dat „het aensien ende credyt van Meynert Semeyns was by de gemeente (bedoeld is Enkhuizen) groot door dien aen den geslachte van Egmont getrout volgens dese geslachtboom ende ingebonden verclaringe van Burgemeesters van Medemblik fol. 20.”

Buyskes weet nu te vertellen, dat Jan, Iste Graaf van Egmond, een bastaardzoon had, genaamd Allert Jansz „Groot” van Egmondt, geb. ca. 1483 te Andijk uit Josina van Waervershoef of -hoek. Allert huwde met Geerte Wiggertsdr. en overleed te Enkhuizen in 1534.

Heeft deze Allert werkelijk geleefd? Inderdaad, bekend is dat hij in de jaren 1517 en 1523 Keizer Karel V met Enkhuizer schepen naar Spanje bracht en dat hij in laatstgenoemd jaar Vroedschap van Enkhuizen werd. Dat hij in 1534 nog te Enkhuizen leefde, bewijst het oudste quitantieboekje der Weeskamer, folio 9, waarin hij „wesevoochd” wordt genoemd. Voorts is nog bekend, dat hij in 1530 borg was voor Gherytje van Wy(de)nes(se).

Van veel belang in verband met hetgeen volgen zal, is het feit, dat Karel V Allert als wapen „de rood en wit-gemengde leeuw-en baam met twee gouden olyftakken in 't kruys over den anderen by syn Waepen van Egmondt” verleende.

De door de Heer Melchior opgenomen verklaring van Lamoraal van Egmond, gedateerd I April 1601, is helemaal geen origineel stuk, zelfs geen afschrift, doch een copie van een afschrift, liefst 132 jaar later vervaardigd. Op verzoek van zijn „neef” Gerben de Groot verklaart dan Lamoraal dat onze Allert drie zoons had: Wigger, Jan en Simon. Jan had tien kinderen nagelaten, waarvan Dirk Jansz., gezegd Brouwer, de vader was van genoemde Gerben de Groot.

Buyskes geeft vervolgens een in 1648 gemaakt afschrift van een ongetekend ontwerp voor Meinert Semeyns, waarschijnlijk daterend van kort voor 1606. De eerste zin luidt als volgt: „de vader van Geertien Simons (Meinert's vrouw) hete Simon, Syn moeder Josina, haer vader Allert, Syn vader Johan Grave van Egmont.”

Dit klopt dus niet met de verklaring van Lamoraal, welke hierdoor in een vreemd licht komt te staan. Allert heeft nooit een zoon Simon gehad! Buyskes verklaart dan dat het derde kind van Allert niet Simon, doch Josina heette en dat zij huwde met Isbrand van Waervershoef, waaruit Simon, gehuwd met Suster Dirksdr. Roodvelt. Uit dit laatste huwelijk sproot o.a. Geertmoer Simonsdr. voort, gehuwd met Meinert Semeyns.

Wij hebben ons nu allang genoeg bezig gehouden met Geertmoer en willen eens zien in hoeverre wij de afstamming uit Egmond bij Allert's zoons Wigger en Jan kunnen vervolgen. Wigger werd in 1503 te Enkhuizen geboren en overleed vermoedelijk op de laatste dag van Februari 1580 te Medemblik. Hij was gehuwd met Suster Meinertsdr. Semeyns, naar men zegt een zuster van de oude Simon Semeyns. Dit familieverband kan blijken uit een in 1649 vervaardigd afschrift van een copie die in 1579 van het verloren gegane „Memoriael der Semeyenen” werd gemaakt. Hierin werd o.a. gezegd „Den Here Prince Wilhelm heeft altyt syn logement genomen ten huyse van Meynert Semyns en tot Medenblick ten huyse van syn Oom Wigger van Egmont.”

Ook uit het leven van Wigger zijn enige feiten bekend gebleven. In 1541 gaf hij advies in een dijkquaestie op Wieringen (Navorscher 1885-72). In 1562 wordt hij genoemd als landeigenaar in „de Vryheit van Medemblik”. Bruinvis vertelt in zijn „Te Alkmaar in den Geuzentyd 1566-1572”, dat Wigger zich op 1 September 1566 in het gevolg van Hendrik van Brederode en zijn vrouw Amalia, Gravin van Nieuwenaar, bevond toen zij uit Hoorn komend te Alkmaar arriveerden. Bruinvis zegt, dat het festijn Wigger zwaar viel en dat hij beschonken te bed ging. De volgende dag hield hij een lang gesprek met Hendrik van Brederode teneinde boete te doen bij een lekebroeder.

Voorts weet men dat hij Dijkgraaf van de vier Noorder Koggen was.
Zijn grafzerk te Medemblik wordt beschreven in Mr Dr J. Belonje's „Gedenkwaardigheden Noord-Holland”, deel IV, blz. 99, sub 66. De bovenste helft is gesierd met het wapen dat door Karel Vaan Wigger's vader Allert werd verleend! De onderste helft geeft een beschrijving van de personen die daar begraven liggen, beginnend met Wigger Allersz., Dijkgraaf van de Vier Noorder Koggen, vervolgens zijn huisvrouw Martgen Cornelisdochter, dan een Maddalena Maertens en tenslotte Wigger, Maerten en Barber van der Wolf.

Teneinde zekerheid te krijgen over het wapen, heb ik laten nazoeken of er misschien nog een zegel van Wigger bewaard is gebleven. Helaas heb ik hiermede geen resultaat gehad; noch het Ambacht van West-Friesland, genaamd „de vier Noorder Koggen”, noch het Rijksarchief te Haarlem, hebben stukken met Wigger's zegel kunnen vinden. Documenten in het Gemeentearchief te Medemblik waarin Wigger voorkomt, brachten evenmin iets aan het licht. Te Enkhuizen verging het mij niet beter, terwijl het zegel in de klapper op de zegelverzamelingen van het Algemeen Rijksarchief te 's Gravenhage evenmin voorkomt.

Dat hij niet hetzelfde wapen voert als zijn vader zou misschien daaraan kunnen liggen, dat hij genoemd zou kunnen zijn naar een familielid, grootvader of oom van moederszijde, wiens wapen hij dan tevens heeft overgenomen. Echter moet men ook wel degelijk rekening houden met het feit, dat de familie-geschiedenis zijn afkomst kan hebben opgesierd en dat de afstamming uit een bastaard van het geslacht van Egmond verzonnen is. Desgevraagd stemde Mr J. de Vries van Doesburgh mij toe, dat de afstamming Semeyns/Egmond, waar originele acten ontbreken, geheel op afschriften en overlevering steunt.

Martgen Comelisdr., die als huisvrouw van Wigger op de grafzerk wordt genoemd, is misschien zijn tweede echtgenote geweest. Maddalena Maertens. was vermoedelijk zijn schoondochter, aangezien een van haar zoons, aldaar begraven, weer Wigger heet. De consequentie zou dan echter zijn, dat Wigger's zoon die Maddalena Maertens. huwde, zich van der Wolf noemde! Bovendien is het zeer vreemd dat deze naam in 18de-eeuwse letters voorkomt in zwik III van het wapen van de in de 16de eeuw gestorven Wigger. Een vergissing met het wapen van der Wolf is m.i. uitgesloten, daar dit elders onder Medemblik in de „Gedenkwaardigheden” wordt beschreven en geheel afwijkt van het wapen op Wigger's grafzerk. Wij staan hier dus voor een raadsel.

Van Jan, de tweede zoon van Allert, is o.a. bekend dat hij in zekere jaren Vroedschap en Burgemeester van Enkhuizen was. Zijn oudste zoon noemde zich „Schipper”, twee andere zoons „Brouwer”. Ik heb tot nu toe geen aanknopingspunten gevonden om nader te komen tot het bewijs der afstamming uit Egmond.

Concluderend zou ik willen vaststellen, dat deze afstamming geenszins bewezen is, maar dat er meer punten vóór dan tegen spreken.

J. F. Daarnhouwer

Mr Dr J. Belonje te Alkmaar schrijft mij over het bovenstaande als volgt:
Het is wel zeer vreemd dat de grafzerk van der Wolff geen wapen laat zien, dat iets met Egmond gemeen heeft: het zijn alleen merken die op de steen voorkomen. Dit laatste valt vooral op, omdat de collectie afstammelingen van Egmondse bastaarden of Egmondse bastaarden zelf, die b.v. in de Raad van Alkmaar of aldaar als schepenen optreden, hun Egmondo-origine duidelijk uit hun zegels doen blijken. Die zegels hebben dan een vrij-kwartier met Egmond of voeren Egmond gebroken door een vrij kwartier enz. enz. — Maar altijd is de Egmondse afkomst er onmiskenbaar uit te halen. Zulke voorbeelden zijn ook van elders bekend. Natuurlijk is het daarom ook mogelijk dat de band met Egmond (steeds via bastaardij) hoger ligt en alleen oude zegels kunnen hierbij behulpzaam zijn.”

D.

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.