Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1951 » No. 6 » pagina 165-167

Van aanpraten en opzitten in Zaandam plm. 1785 en 1816

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 6e jaargang, 1951, No. 6, pagina 165-167.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Aan het eind van zijn reis door Noord-Holland in 1816 bezocht de Engelsman Johnson Zaandam. Hij laat zich over Zaanse zeden, gewoonten en gebruiken inlichten door iemand, die daar zeer goed bekend is en deze vertelt het een en ander over het vrijen.
„Dat noemt men hier aanpraten”, zegt hij „en de gebruiken hier omtrent zijn anders dan die in vele Noordhollandse steden en dorpen: de vrijtijd begint onder de burgerstand des Zondagsavonds en wel op de lang verbeide klokslag van negen uur. Voor de eerste maal laat de minnares gewoonlijk haar minnaar bij zijn aankomst binnen treden, insgelijks de volgende Zondag, doch de derde week vindt hij de toegang gesloten. Is hij standvastig en vindt het meisje in hem enig behagen, zo wordt voor hem geopend en dit is voor de zuchtende jongeling voorwaar een zielverkwikkend ogenblik! Hij beschouwt zulks alsof hem op een plechtige wijze reeds acces verleend was; van zijn kant heeft hij nochtans het recht met de derde Zondag niet weer te komen, zonder dat zijn goede naam daardoor enig nadeel lijdt.

Na die tijd zitten de gelieven afzonderlijk in een ander vertrek, ook wordt sedert enige tijd de minnaren en minnaressen de toegang tot de rondjes1 verleend.

Vóór dertig en meer jaren (d.i. dus ± 1785) was het vrijen of het aanpraten nog op een andere voet. Ik zelf, aldus de verteller – ben daarvan oor- en ooggetuige geweest, toen ik bij een vriendin van mijn moeder, een weduwe, die drie aardige dochters had, enige dagen doorbracht.

De oude vrouw verhaalde mij toen, dat het hier de gewoonte was, dat de huwbare meisjes des Zondagsavonds opzitten, dat is, dat zij vrijers opwachten en dat de moeders, wanneer haar dochters Zondags ergens uitgenodigd worden, gewoonlijk laten weten, dat haar dochters voor de vriendelijke uitnodiging bedanken, daar zij deze avond opzitten. Deze boodschap, die spoedig ruchtbaar wordt (voegde zij daarbij) is dan een wenk voor de jongelui om de meisjes, voor wie zij enige genegenheid gevoelen, te gaan bezoeken en hun fortuin te beproeven.”

De verteller verhaalt nu, hoe twee vrijers, die bij de opzittende jonge dochter, die de buitendeur heeft gegrendeld, precies om negen uur komen aankloppen. Eén van hen staat te soebatten, om binnen gelaten te worden, maar het meisje roept door het sleutelgat, dat zij daartoe niet bereid is. Er volgt een amusant gesprek tussen de vrijer buiten en de vrijster binnen de deur, maar de jongeling kan ongetroost heen gaan. Nu probeert de tweede vrijer zijn geluk en ziedaar – voor hem wordt de deur geopend.

Hierop doelt ook een zilveren bruidegom, Zaandams koopman, op wiens vijfentwintig-jarig huwelijksfeest de heer Johnson gastvrij was genodigd. De koopman beantwoordt de gelukwensen van de gasten met een toespraak, waarin hij breedvoerig verhaalt, welk een moeite hij voor zes en twintig jaren in het werk had moeten stellen, om het stenen hart van zijn dierbare gade te vermurwen. „Gedurende enige weken (dus vervolgde hij met een vrolijk gelaat en met verheffing van stem) klopte ik elke Zondagavond te negen ure aan haar deur, die evenals een staatsgevangenis was gegrendeld, ik bad en smeekte als een bedelaar om brood, om binnen gelaten te worden, maar niets kon baten. Eindelijk trok een van mijn beste vrienden mij ter zijde en sprak mij zeer vertrouwelijk aldus aan: „Hoor eens Claas! Zo je in je wens wilt slagen, moet je een geheel andere weg inslaan; de vrouwen zijn, met eerbied gesproken, evenals de paarden zeer moedig en trots, je moet je hier naar schikken. Laat een mooie blauwe rok maken, koop een nieuwe hoed en gouden gespen aan je fluwelen broek, vervolgens een speelwagentje met een kortstaart, die van zessen klaar is en rijd elke dag eens of tweemaal voorbij het huis van je beminde; dat zal haar meer bekoren dan al je gerucht en gesnap aan de deur.”

In het eerst kon ik niet besluiten, om zoveel onkosten te maken. „Tut! tut!” zeide mijn raadgever, „werp nu eens duizend goudguldens, om zo te spreken, weg, je meisje is rijk en door dit sommetje uit te geven, zul je twintig maal zoveel winnen en dit is altoos een zeer aanlokkelijke negotie.” Ik liet mij eindelijk bepraten, in de tijd van veertien dagen zag ik er uit als een vorst, als ik met mijn wagentje door Zaandam reed. Om kort te gaan, deze raad was van een zeer goede uitwerking: de volgende Zondagavond tikte ik nog eens aan de deur en ziet, zij werd geopend. Nu schepte ik weer moed en in weinige weken (hier knipte onze gastheer met een overwinnende houding op zijn duim) bracht ik het zo ver, dat wij de zaak volkomen eens waren en niet lang daarna stonden wij deftig en plechtig voor de preekstoel.”

Mede dank zij de speelwagen met de kortstaart van zessen klaar!

Zw.

1 Gezellige bijeenkomsten ten huize van een van de kennissen.

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.