Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1951 » No. 6 » pagina 181-85

Allemanswerk

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 6e jaargang, 1951, No. 6, pagina 181-85.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Een woest beloven aan de H. Clara

Een dezer weken was ik op bezoek bij de leider en auteur van enkele openluchtspelen in Noord-Brabant. We keuvelden heel gezellig over allerlei vraagstukken uit de toneelwereld en kregen het o.a. ook over de tegenslag, die regen kan veroorzaken bij het opvoeren van openluchttoneelspelen. Met de spontaniteit, die de Brabander eigen is, verzekerde daarop mij de regisseur en schrijver, dat hij daarvan nog geen last had gehad. Op mijn vraag, waarom niet, deelde hij mij mede, dat men altijd een worst beloofde aan de H. Clara als het droog bleef. En wel des te groter, naarmate dat het weer dreigender eruit zag of naar mate men meer belang had bij droog en goed weer.
Dat deed men ook elders zei hij, o.a. in Limburg.

Gaarne zou ik eens willen weten, of dat gebruik ook op andere plaatsen in zwang is. Deze worst werd dan na afloop van de opvoering gegeven ter ere van de H. Clara aan een arme uit de omtrek, soms wel een worst van drie of vier pond.
Zij, die iets weten over de verbreidheid van dat gebruik en mij kunnen en willen mededelen, of dat ook in Holland in gebruik is geweest, kunnen mij een grote dienst bewijzen, als zij dat mij even laten weten. Ook alle andere berichten dienaangaande zijn van harte welkom. Als vroeger zal ik de uitslag van dit onderzoek weer mededelen in dit blad, indien dat althans mogelijk is.
Bij voorbaat mijn hartelijke dank.

Jos van Gemert Smits Jr

 

Een veelzijdig man te Oostwoud

Dat men zich in West-Friesland ook in vervlogen tijden niet uitsluitend met de stoffelijke belangen bezig hield, maar ook voor de geestelijke zijden van het leven interesse had en toonde, bewijst wel het hieronder aangekondigde boekwerk, dat anno 1704 te Amsterdam verscheen bij Johannes Loots, boek- en Zeekaartverkoper en Graadboogmaker in de Nieuwe Brugsteeg „In de jonge Lootsman”.

De ses eerste, elfde en twaalfde Boeken Euc1idis: vertonende de voornaamste Gronden en Eijgenschappen der wijtberoemde en voortreffelijke Meetkonst waarbij gevoegt een Toegift om Vierkanten in Driehoeken en een Agthoek in een vierkant te beschrijven. Mitsgaders: Een Aanhang vervattende Transformatien, Additien, Substractien, Multiplicatien en Divisien in figuren. Alles op een zonderlinge, korte en wiskunstige manier gedemonstreert, overtreffende alle voorgaande, dienende tot oefening van alle liefhebbers der Wiskonst.
In dese ordre te samen gesteld en in het licht gegeven door Pieter Warius, Mathematicus, Notaris en Schoolmeester te Oostwoud.

D. Klaij
oud-leeraar Lyceum, die trots is op
zijn West-Friese landgenoot en collega.

 

Millioen-air

Op een der jaarlijkse Westfriezendagen zaten een heer en een dame heel gezellig met elkaar te babbelen over folklore, dialect e.d.
De dame, die sinds jaren in een grote stad woonplaats heeft gekozen, gaf in het geheel niet de indruk, dat ze van het platteland afkomstig was, ofschoon ze toch wel met het een en ander van het boerenleven op de hoogte was.
Na een geanimeerd gesprek tussen beiden stelde de dame de volgende vraag:
„Weer koom jij vandaan”, waarop hij eveneens in het Westfries antwoordde:
„Van de Morrebok”, waarop de wedervraag klonk: „En jij?”
„Uit de Waerd”, was het antwoord van de dame.
„Din wazze we niet veer van mekaar”, zei de heer.
Het gesprek werd vervolgd met een vragen over en weer uit de beide plaatsen. Plotseling werd de vraag gesteld: „Weet jij, wat er in de Niedorpen zit?”
En prompt kwam het antwoord: „Ja, een millioen-air”.
Ter verduidelijking werd hierbij gezegd, dat in Oude Nierup de mensen heel eenvoudig zijn, de duiten hebben, zodat van ouds gezegd wordt, dat daar schuilt: 't millioen, terwijl in tegenstelling in Nieuwe Nierup de bewoners geen centen hebben, maar wel: air, zodat dus in beide dorpen zit 'n millioen-air.

Over beide dorpen wordt ook wel eens gezegd:

Naschrift: Morrebok, tegenwoordig genoemd Moerbeek, zijnde een buurtschap in de gemeente Nieuwe Niedorp.

T. Bakker-Mantel

 

Panharing!!!

In een jeugdherinnering van de heer Zwaagdijk, voorkomende in het Juninummer van „de Speelwagen”, mist de schrijver het verband tussen (Zuid) Oostenwind en de Enkhuizer visman met de goedkope panharing. De schrijver stelt zich voor dat dit verband nog eenmaal door een historicus zal worden verklaard. Misschien kan ik, als niet historicus, in deze zaak enig licht verschaffen. Aan de door de Heer Zw. genoemde feiten voeg ik nog een derde toe, n.l. het Paasfeest, dat altijd van veel invloed is geweest op de prijzen der vroegere Zuiderzeeharing. Pasen immers betekent het einde der vasten, d.w.z. minder vraag naar vis.

De panharing kwam naar de voormalige Zuiderzee om daar deel te nemen aan de voortplanting. Hoe meer de lente naderde, hoe groter de scholen haring waren die deze binnenzee binnen trokken om daar tot rijpheid te komen, waartoe o.a. de stijging der temperatuur van het water, bevorderd door de voorjaarszon, moest meewerken.

Trof het nu dat er in de maand Maart, een Zuid-Oostenwind woei, zo'n echte zoele landwind, dan voltrok het rijpproces zich in versterkte mate. De haring zocht dan om kuit te schieten die plaatsen op waar de zon de meeste invloed op de eieren of het kuit kon uitoefenen, dus de ondiepten. Juist daar waar het voor de haringvissers zeer gemakkelijk was de haring in grote getale te vangen. Massavangsten betekenden grote aanvoer en dientengevolge lage prijzen. De export verminderde door het vergevorderde seizoen, mede ook door een minder gunstige temperatuur voor verzending en hield na de vasten geheel op. Dan was de prijs er af, zoals men dat noemde en zo kwam het dat men met de haring de boer op ging om afzet te vinden, en de met minder aardse goederen bedeelden voor een dubbeltje een emmer vol haring konden kopen om te verwerken tot burgerhart, de benaming voor de door de Heer Zwaagdijk zo begeerde lekkernij, in tegenstelling met de welbekende strobokking, die minder gedroogd en gerookt werden, waardoor de vis slapper bleef en minder houdbaar werd en zeker niet geschikt om opgeborgen te worden in de broekzak van een schooljongen.

J. Lust

 

De kruiken van Jaap van Kosse

Dat onze reisgenoot, de heer van der Vlis, gaarne nadere bijzonderheden verneemt over de oude kruiken, die hij op Texel en elders heeft aangetroffen, verwondert mij niet. Toen ik voor het eerst met deze rariteiten kennis maakte, werd ook mijn nieuwsgierigheid ten zeerste geprikkeld. Het betrof toen een drietal exemplaren waarvan één met bolle bodem en twee uitlopend in een punt. Ze werden te Buiksloot opgegraven. Veel heb ik gesnuffeld, maar enkele jaren verstreken voordat een aannemelijke verklaring opdoemde. Ik schrijf hier met opzet „een aannemelijke verklaring”, want merkwaardig genoeg is er over deze kruiken niets bekend, dat absoluut vast staat. Het volgende is echter zeker de moeite van het neerschrijven waard.

De meeste van deze kruiken vertonen, aan de oppervlakte, een witte sliblaag. Dit is alleen bij aandachtige beschouwing te constateren. Het baksel zelf vertoont namelijk op de scherf meestal een bleekrode kleur. Daar, waar de kruiken jarenlang onder ongunstige omstandigheden hebben verkeerd en met wier en schelpen bezet zijn geweest, is deze engobe uit de aard der zaak flink aangetast en zodoende moeilijk te constateren. Een enkele kruik is van binnen zelfs geglazuurd. Ook dit is vaak moeilijk te constateren. De tand des tijds heeft ook daar zijn werk gedaan. Ook één van de kruiken uit Buiksloot vertoonde nog aanwijsbare glazuursporen. Deze dingen zijn met een beetje goede wil waar te nemen.

Hoe en waarvoor men, in vroeger dagen, deze kruiken gebruikte, daarover zal men min of meer moeten fantaseren. De ongeglazuurde kruiken zullen vermoedelijk dienst gedaan hebben als waterkruiken. De witte sliblaag zal daarbij het water extra koel gehouden hebben.

Werd een touw om de hals geknoopt, dan kon men de kruik gemakkelijk ophangen. Was het een kruik, die van onderen conisch toeliep, dan kon men deze punt eenvoudig in losse aarde of zand steken om de kruik niet te doen omvallen.

De geglazuurde kruiken hebben mogelijk gediend voor het transport van olie. Men kon bovendien deze kruiken eenvoudig afsluiten door een stuk perkament of iets dergelijks, strak gespannen, om de hals te binden, een methode die, als ik me niet vergis, in de hedendaagse keuken nog wel wordt toegepast.

De kruiken stammen zeer zeker niet uit de Romeinse tijd. Nimmer heeft men bij opgravingen deze kruiken of scherven daarvan in gezelschap van Romeins aardewerk aangetroffen. Wel zijn er vondsten gedaan, die doen vermoeden, dat de kruiken in de dagen van de Spanjaarden, zo rond 1600, tot het normale gebruiksaardewerk behoorden. Zij zullen waarschijnlijk uit Spanje en Portugal zijn geimporteerd. In het boekje "„Oud aardewerk” geschreven door de heer Renaud, vindt men naast meerdere bijzonderheden, ook een foto van een schilderstuk uit het begin der zeventiende eeuw, waarop een kruik met bolle bodem is afgebeeld.

U ziet het blijven mysterieuze verschijningen, maar het waas van geheimzinnigheid rond deze kruiken is nu tenminste iets opgetrokken.

P. v. Rooijen

 

Kaatseballiedjes

Hierbij nog een en ander over balliedjes. In Rotterdam zong men circa 1918:

Kaatsebal, ik vang je al
In een hand, in twee hand
Van handjegeklap, van voetjegetrap
Van rommeldebom, van keerom.

En eveneens:

Juffrouw Catrijntje zat achter 't gordijntje.
Wat deed ze daar? Ze kamde haar haar,
Ze waste haar handjes, haar mond en haar tandjes.
Toen ging ze weer staan, van voren af aan.
Van rommeldebom, van keerom.

Omstreeks 1885 werd te Oosterbeek (bij Arnhem) bij het balgooien gezongen:

Juffrouw Catrijntje, zat achter 't gordijntje.
Wat deed ze daar? Ze kapte haar haar.
Ze waste haar handjes, ze droogde ze af.
Ze stak ze in haar zij, en knielde daar bij.
Toen stond ze weer op, en danste gelijk een kermispop.

In die jaren zong men te Hoorn ook iets dergelijks.

K. W. Galis

 

Binnenduinse hoeven

In „Het Boerenhuis in Nederland en zijn bewoners” (Utrecht 1907) deelt Gallée mede, dat op de geestgronden van Loosduinen tot voorbij Castricum een „binnenduinse hoeve” zou voorkomen van een bijzonder type. Achter de woning bevond zich nl. een lagere stal, waarin de koeien in enkele rij met de koppen naar de voorgang stonden opgesteld op de Zuidhollandse wijze aan koestaken. Een paardenstal en een kleine dwarsdeel waren soms in het verlengde, onder hetzelfde dak aangebouwd. Het hooi werd in de vijzelberg getast.

Gallée's voorbeeld stond in Noordwijk en was naar een zeer slechte foto te oordelen, wat het bedrijfsgedeelte betreft laat-negentiende-eeuws. Zelf heb ik dergelijke hoeven nog gevonden in Katwijk. Kent een der reisgenoten mogelijk exemplaren in Noord-Holland?

R. C. Hekker

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.