Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1951 » No. 6 » pagina 185-192

In de Spiegel van de Speelwagen

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 6e jaargang, 1951, No. 6, pagina 185-192.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Uit de krantenbak.
Frans Mars uit Wormerveer kent de Zaanstreek door en door. Hij heeft oog voor haar schoonheid en — wat meer zegt — hij heeft er hart voor! Met potlood en pen getuigt hij, graag en vaardig, van zijn liefde voor het karakteristiek-Zaanse in zijn omgeving en als 't nood geeft springt hij onvervaard in de bres steeds en overal waar dit bedreigd wordt. Zoals een echte zoon van de Zaan betaamt betoont hij zich daarbij geen blinde doordrijver, maar beziet zijn zaken met de nodige nuchterheid en houdt dan ook rustig rekening met de onvermijdelijke eisen, die de moderne tijd stelt en waaraan vooral een sterk-levende industriestreek niet kan ontkomen. Langgerekte dorpen, z.g. streekdorpen, zoals Westzaan ontlenen hun bekoring voor een groot deel aan de wegsloten teweerszijden van de dorpsstraat en aan de vele bruggetjes, die over die wegsloten toegang geven tot de daargelegen woonhuizen en boerderijen met hun vaak aardig beplante erven en bloemrijke voortuinen.

Het vervoer van vee, van gras en groente geschiedde vroeger per vaartuig door de wegsloot; de weg was niet veel meer dan een voetpad. Dat in Westzaan, waar verschillende belangrijke industriën gevestigd zijn, wegverbetering langzamerhand wordt nodig geacht, is begrijpelijk. Slootdemping is echter een zeer kostbare onderneming en zal in ieder geval de oude, vertrouwde schoonheid van het dorp totaal te niet doen. Indien deze ingrijpende operatie onvermijdelijk wordt, dan bepleit Frans Mars de inschakeling van een bekwaam landschapsarchitekt. „De meerdere kosten, zeer laag in verhouding tot de totale som, worden door winst aan ideële schoonheid ruimschoots goed gemaakt.” (Zaanl. 21 April).

Wie in de Zaanstreek op zoek gaat naar landelijk schoon heeft in de heer Mars een goede gids. Hij kan u, gelukkig, nog vele mooie, rustige plekjes tonen, waar het moderne, luidruchtige verkeer de stilte niet stoort en waar het verleden zich a.h.w. afgezonderd en teruggetrokken heeft. Kent u b.v. „het smalle hobbelige landwegje, dat van het oosteind van het Weiver te Westzaan zich noordwaarts kronkelt in de richting van Krommenie?” Het draagt de naam van „de Middel” en verbond heel lang geleden het Weiver van Westzaan met het Weiver van Krommenie. Weiver of Wuiver, zegt Frans Mars terecht, is een naam voor dwarsweg, die in Noord-Holland veel voorkomt. Of de naam van een dwarssloot, voegen wij er aan toe. Deze naam staat in verband met de stam van het werkwoord weifelen, het is n.l. altijd de naam van een dwars stuk tussen twee wegen of sloten, die praktisch elkanders voortzetting zijn. Daar 't woord onzijdig is treedt ook de nevenvorm Tweiver of Twuiver op. Ook komt voor Tweiver- of Twuiverweg. Er schuilen in dit door Mars beschreven hoekje nog meer oude namen: de Euvereweg, de Noorse balk, de Leijweg... Misschien weet hij daaromtrent te gelegener tijd eens tekst en uitleg te geven? (Zaanl. 12 Mei).

Einde Augustus is er feest in Wijde Wormer: de Polder herdenkt dan het 325-jarig bestaan. De kranten hebben dit feest al ingeluid (zie o.a. het N. N. Holl. Dagbl. van 27 April). Wij verwijzen naar het artikel in dit nummer, met afbeelding van het polderhuis.
Over een polderhuis gesproken... de Polder De Schermeer bezit ook een dergelijk gebouw, het Noorderpolderhuis geheten, gelegen onder Schermerhorn. Het polderbestuur gaat met steun van het rijk, de provincie en van de gemeente Schermerhorn nu dit eenvoudig, maar karakteristiek landelijk bouwwerk restaureren en toont aldus een goed inzicht te bezitten en een gezonde eerbied voor historie en traditie. (N. N. Holl. Dagbl. 24 April).

De gemeente Schermerhorn, die deze restauratie mede hielp mogelijk maken, gaf nogmaals blijk van grote waardering voor belangrijke monumenten van het verleden door ook de gevraagde bijdrage te verlenen voor de restauratie van de Ned. Herv. Kerk. Gelukkig Schermerhorn; waar gemeente- en kerkbestuur eendrachtig samenwerken! Moge de zo hoognodige restauratie van de mooie Kerk met haar mooie, oude gebrandschilderde ramen nu spoedig een aanvang kunnen nemen.
Men herinnert zich wellicht, dat dit in 1634 voltooide kerkgebouw door en voor de Hervormden is opgericht. Merkwaardig is het daarom, dat het nog geheel gebouwd is in de trant van vóór de hervorming met een veelhoekig gesloten koor.
Gelukkig te prijzen is ook Sint Pancras, waar het witte kerkje werd gerestaureerd. Wel is het witte kerkje nu niet wit meer, want de pleisterlaag is van de buitenmuren verwijderd, maar zoals het kerkje er nu staat is heel Sint Pancras er met recht nog meer trots op dan voorheen. Wij hopen binnenkort iets naders te mogen vertellen van dit nu weer in verjongde gloed stralende, zeer fraaie bakstenen dorpskerkje.

Daarentegen: arm Graft, waar de oude dorpskerk in slopershanden viel en de waardevolle dingen, die dit bedehuis nog bevatte, naar elders verhuisden... Een lelijke lege plek is er nu in dit mooie dorpje, teken van droevig verval van het kerkelijk leven.
Na zo'n jobstijding doet het dan deugd te lezen hoe in de dorpskerk te Broek in Waterland de koster met vrouw en kinders dagen achtereen heeft gewerkt om vloer en meubels toonbaar te maken en de koperen kronen, die groen waren uitgeslagen, hun gouden glans te hergeven. De wijzerplaten aan de toren werden opnieuw verguld. De oude, trouwe torenhaan bleek — aldus onze zegsman — dusdanig in de rui, dat hij meer op een kievit leek dan op een haan. Derhalve werd hij vervangen door een spiksplinternieuwe, maar in elk geval rasechte torenhaan. En laat nu de vreemdelingen maar komen: de kerk mag gezien worden! (N. N. Holl. Crt. 30 Mei).

Over vreemdelingenbezoek mag men deze zomer niet klagen. Egmond aan zee, vroeger een moeilijk-bereikbaar vissersdorp, nu een drukbezochte badplaats, werd een attractie rijker. Vlak vóór het seizoenbegin werd door de actieve burgervader, burgemeester Niele, het Gemeentemuseum geopend. Het is nog maar een zeer bescheiden museum, voorlopig gehuisvest op een bovenvertrek in het raadhuis, maar er is reeds een aardige verzameling oudheden en curiosa te zien, dank zij de ijver en goede zorgen van de heren Wijker, van Pelt e.a. Zoals een oude visserplaats betaamt, beperkt men zich hier niet tot louter historische zaken, maar streeft men er ook naar een beeld te geven van al wat in zee leeft en groeit. Men ga in de vacantie er eens even kijken!

De Zaende, April-Mei 1951
G. J. Honig geeft in een bespreking van Boorsma's standaardwerk „Duizend Zaanse Molens” interessante bijzonderheden over vroegere „molenlijsten”. Die van Willem Buijs Pz „De Windmolens van de Zaanstreek 1439-1918”, uitgegeven in 1919, noemt 812 molens. Een geschreven lijst van Evert Dekker Jansz., van 1884-'85, putte de gegevens uit de molenlijst van Cornelis Mens, Jacob van Sante en Jan Pouwelsz. Bont, die in 1726 op de schaats daartoe de nodige tochten maakten, waarvan het verslag bewaard bleef in een boekje met perkamenten omslag, nu in bezit van de Zaanl. Oudheidk. Vereniging. Dit handschrift omvat notities betreffende 538 molens.

W. J. Gorter vervolgt zijn beschouwingen over „Zaanse Keuren”, van belang voor de kennis van het volksleven. Hij bespreekt o.a. het katknuppelen en het niet minder beruchte ganstrekken, het bekemen en andere oude gebruiken, waarvan vele een ruw karakter hadden of in louter baldadigheid ontaardden.
Een edeler vermaak was het kolven, oorspronkelijk in de openlucht, op het kerkhof of in de kerk (!) beoefend, later op open kolfbanen bij de herbergen; sedert de 18de eeuw op overdekte kolfbanen in de herbergen, waar dan vaak aan het ene einde een toneel verrees, terwijl in het andere einde ook de biljartsport kon worden beoefend. Ook op het ijs werd de kolfsport beoefend en dan sprak men aan de Zaan van „klossen” of „gieteren”.
Met het woord „smakken” wordt in de Zaanse keuren soms het gooien met stenen e.d., soms het dobbelen om koek aangeduid.
Het nog in de 17de-eeuwse keuren vermelde woord „schripsen” wil Schr. verklaren als naam van een spel „waarbij men met munten van een schrap (schrip) af naar een andere lijn, de schreef, gooide”. Het zou dan eenzelfde dobbelspel zijn als het door Boekenoogen in „De Zaansche Volkstaal” beschreven „botten”.

S. Hart publiceert een door hem in de collectie Domela Nieuwenhuis (berustende op het Evang. Luth. Seminarie te Amsterdam) gevonden „Brief van Ds. S. H. Petri over Czaar Peter”.

Dr J. W. Wijn, uitstekend kenner van het oude Nederlandse krijgswezen, schrijft over „Inkwartiering te Westzaan in 1573”. Hij voert ons midden in de bewogen beginjaren van de 80-jarige oorlog, toen door de diverse bezettingstroepen, zowel Spaanse als prinselijke, grote druk en terreur in stad en platteland werd uitgeoefend.
Het door Dr Wijn medegedeelde, geput uit het archief van de polder Westzaan, heeft toevallig betrekking op een bezetting door „bevriende” prinselijke troepen en geeft een rauw beeld van de ergerlijke en verregaande balddadigheid en erger van het toenmalige krijgsvolk, zowel onder de gewone soldaten als onder de officieren.

„Aantekeningen betreffende Oostzaande families” putte G. Voet uit de oude doop- en trouwboeken van Oostzaan en uit aantekeningen van zekere Jan Symonsz. Daalder (Rijksarchief Haarlem). Vanouds echte Oostzaanse namen zijn: Rep, Taams, Onrust, Schaft, Dral, Hottentot, de Ridder, de Dood en Roele. Bijnamen waren geliefd en Schr. geeft daarvan grappige voorbeelden: een bruid genaamd „Christijn, alias Beentje in me keel”, een bruigom genaamd „Cornelis Maertensz. Starrenburgh, alias Kromme Dicker” en nog een huwelijkscandidaat genaamd „Jacob Sijmonsz. Deventer, alias Vuijligheit„!

J. Goudsblom deelt enkele bijzonderheden mede over de molens De Waterhond en De Waterdief te Busch en Dam onder Assendelft.

G. j. Honig geeft in het Meinummer een eerste deel van een uitvoerige beschrijving van „De Zaanse Burgemeesters sedert 1814”, waarin tal van bekende namen de revue passeren.

Ir J. N. Blauw putte uit het bekende boek van Ds J. C. van Slee, „De Rijnsburger Collegianten” en uit het niet minder bekende werk van mejuffr. Dr Johanna W. A. Naber, „Elizabeth Wolff-Bekker en Agatha Deken”, tal van bijzonderheden, die de betrekkingen tussen „De Zaanstreek en de Rijnsburger Collegianten” in het licht stellen. De Rijnsburger Collegianten vormden een godsdiestige gemeenschap, waarvan de eerste leden vooral uit Remonstrantse kringen kwamen, maar die later in nauw contact met de Doopsgezinden kwam. Men hield samenkomsten onder de leuze „geen kerk, geen leeraar, geen belijdenis”, waarop uit de Bijbel voorgelezen en ook gezamenlijk gebeden werd en waarop voorts ieder het woord kon voeren, die zich daartoe gedreven voelde. Wel werd het avondmaal gehandhaafd en óók de doop, die geschiedde door onderdompeling. Jan Schenk, een geacht en welgesteld ingezetene uit Wormerveer was een der oprichters van het in 1736 te Rijnsburg, bij het Grote Huis der Collegianten, gemetselde bad, waar de z.g. „dompeldoop” plechtig geschiedde.

Gens Nostra, Maandblad der Nederlandsche Genealogische Vereniging. April 1951.
Wat Ir C. Koeman hier mededeelt over„Het Archief van de Ned. Herv. Kerk te Ooster Blokker” is in vele opzichten leerzaam, vooral voor de genealogische onderzoeker. Het „Kercke Boeck van oosterblocker van den Iare 1621 tot 1780”, bewaard in de Ned. Herv. Pastorie te Ooster Blokker, blijkt om te beginnen óók betrekking te hebben op Wester Blokker: Ooster en Wester Blokker vormden elk een afzonderlijke kerkelijke gemeente, maar hadden samen één predikant. Vervolgens omvat de inhoud niet uitsluitend kerkeraadszaken, maar ook lidmatenlijsten, waarop bij vele namen de datum van overlijden werd aangetekend, lijsten van met attestatie ingekomen of vertrokken personen, aantekeningen betr. gedoopten en gehuwden, betr. de jaarrekening van diakenen, de regeling van de predikbeurten en voorts nog allerlei regelementen en voorschriften, waartussen ook de instructie voor de schoolmeester-voorzanger niet ontbreekt. De schoolmeester hield ook meestal op een kladje of in een kladboek aantekening van de gedoopten en gehuwden, welke dan van tijd tot tijd door de predikant werden overgenomen en geboekt. Wanneer echter Ds. Abraham Duijsendpond op 26 October 1698 zijn eigen zoon Abraham mag dopen, schrijft hij zelf deze dopeling plechtig in en bovendien het volgend versje:

„Als Ds van der Meer het formulier had gereciteert
Heeft hem Duijsenpond gebaptiseert.
God maak hem tot een stut, een steunsel van zijn kerk,
Een regten Abraham, in naam, in hart, in werk.”

De Navorscher, 1951, afl. 6.
J. P. Daarnhouwer schrijft hierin over „Het geslacht Braak op Texel.” Van deze wel uit Hoorn afkomstige familie zijn vele leden kapitein of commandeur ter zee geweest. De bekendste telg was wel Adriaan Braak, geboren in 1742 te Oude Schild, die het zelfs tot vice-admiraal bracht. Hij was eigenaar van „Brakesteijn”, nu een hoeve, vroeger een buitenplaats, gelegen nabij de z.g. „Weezenwaterput”, waaruit de voor Texel ankerende schepen hun drinkwater haalden. Veel roem verwierf Adriaan Braak zich in de bekende zeeslag bij Doggersbank in 1781. Wegens zijn in die slag betoonde dapperheid werd hij door Prins Willem V beloond met een gouden medaille. Desondanks ontpopte Braak zich nadien als een vurig patriot, hetgeen uiteindelijk leidde tot zijn verbanning.
In 1795, het jaar der omwenteling, keerde hij daaruit glorieus terug, werd nog in datzelfde jaar benoemd tot vice-admiraal en vertrok als commandeur van een eskader van zeven schepen naar Suriname, om aldaar het nieuwe gezag te bevestigen. Daar in de West is Adriaan Braak op 12 Augustus 1796 aan boord van zijn schip „De Admirael Piet Heijn” overleden.

Heemschut, Juni 1951.
In dit nummer wordt herdacht de bekende Amsterdamse architekt A. A. Kok, in het begin van dit jaar, kort na de viering van het Heemschut jubileum, waarbij hij nog aanwezig was, overleden. A. A. Kok was een Heemschut-vriend in merg en been. De „Historische schoonheid” van stad en land had zijn grote liefde en in ons gewest verwierf hij zich grote bekendheid als bekwaam restaurateur van vele bekende bouwwerken. Jarenlang was hij de ijverige secretaris van „Heemschut” en een van de meest strijdvaardige voorvechters van deze Bond. Voor de bekende „Heemschut-Serie”, waarvan hij mede de promotor was, schreef hij zelf verschillende deeltjes in een zeer eigen en levendige trant. De naam van A. A. Kok zal ook in ons gewest in dankbare herinnering blijven.

Neerlands Volksleven, tijdschrift van het Nederlands Volkskundig Genootschap, tevens mededelingenblad van de Federatie van folkloristische groepen in Nederland en van de Nederlandse afdeling van het International Folk Music Council. Redactie: K. ter Laan en Dr Tj. W. R. de Haan.
Het eerste nummer van dit periodiek, in April j.l. verschenen, brengt een keur van mededelingen op het gebied van het Nederlandse volksleven en zijn organisaties. Zo wordt ons verteld, dat het bestuur van het Nederlands Volkskundig Genootschap wordt gevormd door de heren: K. ter Laan, voorzitter, en S. J. Bouma, Mr J. Kunst, Dr P. J. Meertens en Dr Win Roukens, leden; secretarispenningmeester is Dr Tj. W. R. de Haan, Klein Persijnlaan 39, Wassenaar. Dit bestuur gaf de stoot tot uitgave van het hier aangekondigd tijdschrift. Men wordt lid van N. V. G. door zich op te geven bij de genoemde Secretaris-penningmeester en de contributie (fl 6.- per jaar) te storten op diens girorekeningnr. 536091. Voor niet-leden is de abonnementsprijs van het tijdschrift ƒ 1.50 per jaar; de leden ontvangen het gratis.

Mededelingen van de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen.
Deze Centrale Commissie, een overkoepeling van drie verschillende commissie's, resp. voor Dialect, Volkskunde en Naamkunde, zetelt in het Trippenhuis op de Kloveniersburgwal te Amsterdam. In de van tijd tot tijd gepubliceerde „Mededelingen” lezen we zo een en ander over het werk, dat verricht wordt. Velen van ons zullen wel eens van dialectkaarten hebben gehoord en ze misschien onder ogen hebben gehad. Hoe zo'n kaart gemaakt wordt en hoeveel werk daaraan vastzit, vertelt in nr 2 mejuffr Dr Johanna C. Daan. En in ditzelfde nummer is een aardig voorbeeld van een dialectkaart afgebeeld en wel een, die laat zien welke roepnamen de kip in de diverse streken van Nederland heeft. De meest-verbreide lokroep voor de kip blijkt: kiep-kiep-kiep. Die hoort men dan ook in het grootste deel van Noord-Holland. Op Texel en Wieringen roept men: kuup-kuup-kuup. In een deel van de Zaanstreek en Waterland: kip-kip-kip; alleen in de buurt van Krommenie klinkt het: tok-tok-tok. In totaal geeft dit Kaartje, verspreid over Nederland, 37 verschillende lokroepen voor juffrouw Kip! Vele van die vleinamen zijn tot soortnaam geworden. Ook de soortnaam Kip, nu algemeen Nederlands, ontstond uit de gelijkluidende lokroep. Zo wordt het begrijpelijk, dat in het Oosten van ons land, waar de lokroep tuut-tuut-tuut luidt, een kip een tuut wordt genoemd en een kippen-ei een tuut-ei! In het toelichtende artikel bij dit kaartje vertelt de heer R. P. Meijer nog veel meer wetenswaardigheden over zulke roep- en vleinamen van onze huisdieren. Zo ook over wat de voerman zegt tegen het trekpaard als dit rechtsaf of linksaf moet slaan: voor rechtsaf klinkt het: hot, hort of hottik, voor linksaf: haar, haarop of aerop. Zeggen al onze voerlieden in Noord-Holland ook zo iets?

Over „Het ei in de folklore” schrijft P. K. Vermeul, over .Familienamen” F. J. van der Poll. Deze laatste wijst nog weer eens op de speciaal voor Noord-Holland kenmerkende korte, eenlettergrepige familienamen.
De in deze „mededelingen” gegeven artikelen zijn maar kort en hebben slechts de bedoeling om belangstelling te wekken voor de arbeid van de hier samenwerkende deskundigen. Want deze deskundigen hebben voor hun arbeid de belangstelling èn de medewerking van vele leken nodig.
Wie meer wil weten en dieper wil graven wijzen we op de „Bijdragen en mededelingen der Dialectencommissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam”, voorzover niet uitverkocht verkrijgbaar via de boekhandel of bij de N.V. Noord-Hollandse Uitgevers Maarschappij, Amsterdam. Wij noemen van deze uitgaven: deel 11, Een Friesch substraat in Noord-Holland. (Uitverkocht, maar in alle wetenschappelijke bibliotheken te raadplegen of te lenen); deel X, Friezen, Saksen, Franken. (Nog verkrijgbaar ƒ 1.90, ingen.).

Een der hierboven genoemde, onder de „Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen” ressorterende commissies is de Amsterdamse Commissie voor Naamkunde. Deze werkt sedert het vorig jaar nauw samen met de Vereniging voor Naamkunde te Leuven en gezamenlijk geven deze Noord- en Zuidnederlandse „naamkundigen” thans een tijdschrift uit, dat onder de simpele naam „Mededelingen” verschijnt bij het „Bureau voor Naamkunde van de Kon. Nederl. Akademie van Wetenschappen te Amsterdam (gevestigd: Nieuwe Hoogstraat 17).
Dèze „Mededelingen” verschijnen 4x per jaar en zijn voor ƒ 4.- per jaar voor een ieder verkrijgbaar.
De „Naamkunde” is als wetenschap nog betrekkelijk jong. Voor een gedegen verklaring van de oude en soms zéér oude plaats- en persoonsnamen is samenwerking van deskundigen op allerlei gebied nodig, van taalgeleerden, historici, geografen, bodemkundigen, enz., terwijl de hulp van geschoolde leken, mensen die hun eigen omgeving door en door kennen, onontbeerlijk is.
Een goed naamkundig onderzoek is welhaast altijd een vergelijkend onderzoek waarvoor het materiaal van her en der en uit heden en verleden moet worden bijeengebracht.
Hoe een dergelijk onderzoek tot stand komt leert een artikel van Dr Sipma in de genoemde „Mededelingen” over het „Toponymisch (= plaatsnaamkundig) onderzoek in Friesland”.
Dit artikel leert tevens hoeveel voetangels en klemmen er liggen op dit terrein! Welke wonderlijke vervormingen hebben sommige namen in de loop der eeuwen ondergaan! Wie zou b.v. in de in een oorkonde uit het jaar 839 genoemde „villa Camminge hunderi” het tegenwoordige Kimswerd herkennen? Over de plaatsnamen in Noord-Holland zal dit najaar een boek verschijnen van de hand van Dr G. Karsten. Wij zien dit werk van de schrijver van „Het dialect van Drechterland” met grote belangstelling tegemoet en hopen er t.z.t. hier de nodige aandacht aan te wijden.

Vragen en mededelingen voor deze rubriek s.v.p. te richten aan het Redactieadres: Emmastraat 87, Alkmaar.

 


Hé, is dat Westfries?

323. Op carnaval had ie zich verkleed; hij zag er kakkelollig uit (potsierlijk, belachelijk, als 'n hansworst); de meesten konnen 'm geniesen (herkenden 'm niet eens).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.