Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Stemmen Molenprijs Lastdrager.

Archivering » De Speelwagen » 1954 » No. 3 » pagina 76-79

Een Zaanse molen-overlevering

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 3, pagina 76-79.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: G. Husslage Dz.

Brand in de vorrefmole „De Blauwe Kuiper”

Het was op een drukkende midzomerdag, dat Hain, de „vasttummerman”; (vaste molenmaker) van de firma Corn. Kuiper bij diens „vorrefmole” „De Blauwe Kuiper”, staande bezuiden het dorp Wormer, aan de Enge Wormer ringvaart, werkzaam was.
De molen begon „zweer”; (zwaar) te malen vond ome Klaas, de meesterknecht, dus „most Hain 'm maar op stempel hale”. Op stempel halen was het zware wiekenkruis plus as en wiel, door middel van een zware stut, omhoogbrengen. Die stut werd, terwijl de roeden schuin stonden, onder de hoge kant van de as geplaatst, waarna met een takel aan het ondereinde van de roed, dit zeer zware geval – plm. negen ton – op de stut werd getrokken; deze stut werd dan de stempel genoemd. Als dit gebeurd was, kon de steen, waarop de as draaide, de „halsstien” worden verwijderd, en het hol, waarin de as draaide, ondieper gemaakt worden, waarop de molen weer zo licht als een veertje maalde.

Hain was in de kap om de stut te plaatsen en Saime en Jaap, twee molenaars, waren op de stelling van de molen behulpzaam om op aanwijzingen van Hain aan het takel te trekken.
Hain was een ervaren molenmaker, zodat het werkje spoedig vorderde en de molen op stempel stond, waarop Hain naar beneden riep: ”Heb Keesie de koffie al klaar?” Want, hoewel het wat wij nu noemen theetijd was, was in die dagen, het was op 16 Juli 1796, thee een onbekend artikel in een molen.
Saime informeerde even beneden en riep tegen Hain, dat de koffie klaar was, waarop ze gezamenlijk naar het einde van de molenschuur vertrokken waar de „hut”1 was.

De meeste verfmolens in Wormer waren op zeepeil gebouwd, d.w.z. bij een eventueele overstroming, kon het zeewater bij de hoogste stand de molenvloer niet bereiken. Dit was gedaan, om, als dit onheil zou komen, de koopmansgoederen droog te houden. De vloer dezer molens lag dan ook plm. 1,20 m boven het maaiveld, maar de hut, waarin een straatje was aangebracht voor brandgevaar, lag op de vlakke grond, zodat men om daarin te komen, wel een treetje of vijf zes naar beneden moest.
In die hut was een schoorsteen, waaronder op een open vuur werd gestookt waarboven aan een heugel een grote koperen koffiepot hing, waarin de koffie werd gekookt, zal ik maar zeggen, want daar leek het het meeste op; soms kon je de koffie horen bommen. Aan weerszijden van de schoorsteen was een raam, evenals aan de lange zijde van de hut, want de molenaars moesten altijd weer en wind kunnen waarnemen.
Aan de beide lange zijden waren banken, waarop de molenaars plaats namen. Ome Klaas de meesterknecht, in de hoek en in de andere hoek Hain, de molenmaker.
Het personeel van een flinke verfmolen bestond uit vier man en een jongen, want behalve hen was er nog Maarten, een ongehuwde molenaar. Keesie tapte de koffie in, de pijpen werden gestopt en een gezellig gesprek ontstond; weldra zag de hut blauw van de rook.

Ome Klaas had al eens een paar maal onrustig door het raam gegluurd. „Jonges d'r broeit wet,” zei hij plotseling, en inderdaad in het zuidwesten begonnen zeer snel donderkoppen op te komen.
”We moste maar effe wagte met né bove gaan”, vond ome Klaas, want bij onweer was het bij bijna alle molens verboden binnen het achtkant der molen te wezen, wegens gevaar voor blikseminslag.
Al heel gauw begon het te rommelen, wat binnen korte tijd overging in een zwaar onweer. Opeens een knetterende slag, de mannen stormden naar buiten en jawel hoor, de molen was raakgeslagen in het „laif” (de romp) net boven de stelling en begon dadelijk flink te branden, zodat aan blussen met de gieters (houten waterhozers) niet te denken viel.
Opeens schreeuwde Hain „En hai staat nag wel op stempel, opzai manne anstons duveld hai er nag oit”. Dit was inderdaad zeer gevaarlijk, zou het vuur toch het takel bereiken en dit doorbranden, dan bestond er alle kans dat as en roeden naar beneden zouden vallen.

In het dorp had men de brand ook ontdekt en had men de spuit, een met een grote en een kleine pomp, in een boerenplat geplaatst en zo probeerde men de molen te bereiken. Een hopeloos geval, want als men er was, was het toch al veel te laat.
Bij de dichtstbij staande verfmolen „De Uil” had men de brand ook gezien en „de vorrefmaalders” dezer molen kwamen met een schuitje opdagen. „Léte we ze teugehouwe,” zei Hain, „ze kenne niet verbai de mole, da's veul te gevaarlik,” waarop hij ze dan ook bij de kop van het land opwachtte.
Nauwelijks had hij dit gedaan of het vuur had zijn werk verricht, het takel was doorgebrand en met een daverende slag kwamen as en roeden naar beneden en vielen grotendeels in de ringvaart.
De molen stond nu in lichtelaaie. De wind, die even was gewakkerd, dreef een vonkenregen in de richting van „De Uil”. Het volk van „De Uil” roeide als bezetenen naar hun molen terug om de molen te laten vonken malen.

Vonken malen was de molen te laten draaien met volle zeilen, zeer los en ruim bevestigd, alle lijnen geheel los, zodat de klepperende zeilen en de sliertende lijnen de vonken van het rietdek der molen afsloegen. Dit was een bijna altijd afdoend middel, al kon het wel eens een paar zeilen kosten. Ze waren dan ook maar amper op tijd, vijf minuten later zou te laat geweest zijn, maar nu redden zij hun molen van de ondergang.

De dorpsspuit was inmiddels aangekomen, maar kon niet veel meer doen dan de puinhopen van de ingestorte molen nat houden. Daar stonden de mannen in hun vuile werkpak, de een rood, de andere wit en weer een andere zwart in het land. „En de baas weet nag van niks”, zei ome Klaas. Deze baas, Corn. Kuiper, woonde te Zaandijk en bezat op Wormer zes verfmolens: „De Blauwe Kuiper”, „De Uil”, „De Rob”, „De Snijder”, „De Beer” en „De Bootsmansmaat”.

Of men de brand te Zaandijk niet gezien had, of het niet de moeite vond, er kwam niemand opdagen. Dus ome Klaas besloot maar lopend langs de ringdijk te gaan, in zijn maalpakje met schootsvel voor. Bij een van de molens aan de Kalverdijk zou men hem wel overzetten.
Op Zaandijk aangekomen begaf ome Klaas zich naar het huis van zijn baas, waar hij zijn onheilsbericht afgaf aan diens vrouw, die hem mededeelde, dat deze aan het biljarten was in „Het Wapen van Amsterdam” op de Dam te Zaandam. Wat restte hem anders dan maar door te lopen naar Zaandam. Daar aangekomen trof hij zijn baas inderdaad aan.

Verwonderd keek hij zijn meesterknecht aan: „Wat nou Klaas, jij hier?” „Nou meheer zait oewé dat wel, ik durf 't temet niet te zegge, maar vanmiddag is de mole raakesloege en helemaal verbrand.” De tranen sprongen hem in de ogen. Zijn molen, waarop hij zijn hele leven had gewerkt nu verbrand en weg.
De heer Kuiper, die een zeer vermogend man was en wiens molen bovendien behoorlijk verzekerd was, kreeg het met de oude baas te doen. Bemoedigend klopte hij hem op de schouder: „Ga jij nu maar naar huis Klaas en laat de rommel maar zo gauw mogelijk opruimen, morgen zullen de schatters wel komen en dan koop ik vanmiddag voor jouw nog een andere molen.”

Hij hield woord en kocht dezelfde middag de grote pelmolen „De Korf” en liet deze slopen en naar het Wormerveld overbrengen, waar hij de naam van „De Jonge Kuiper” ontving. Hij heeft nog tot 1889 dienst gedaan. In dat jaar werd de molen gesloopt, wederom met een ongeval. De slopers hadden verzuimd de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen en evenals in 1796 viel ook nu de as er uit, maar zonder roeden, die waren er al uit. De as viel boven op een molensteen, brak doormidden en het lange achtereinde viel weer in de ringvaart.
In de oorlog 1914-1918 toen het oude ijzer zoveel waard was, heeft men nog gepoogd het te vinden, evenwel zonder resultaat, het zal wel door het veen tot aan de zandplaat zijn weggezakt.

Bovenstaande geschiedenis werd mij in mijn jeugd verteld door een zeer oude „vorrefmaalder” van de molen „De Uil”, Gam Kop, die mij er bij vertelde, dat hij ze in zijn jeugd vernomen had van de „vorrefmaalders” van „De Blauwe Kuiper”, met wie hij nog gewerkt had. Wel een bewijs hoe taai of molen-overleveringen aan de Zaan nog voortleven.

G. Husslage Dz.

1 Schaftlokaal.

 


Hé, is dat Westfries?

26. Jongens, niet zo klammen (ruzie maken)!
Twee klammers, twee schuld.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.