Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1954 » No. 3 » pagina 89-94

Wat u als kind speelde1

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 3, pagina 89-94.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: M. Zwaagdijk.

1. a. 't Driepootspel. Drie ongeveer even lange stokjes bindt men van boven vast en zet ze zo op de grond.
De kinderen vormen nu een kring om de driepoot, handen vast en proberen zo één of meer spelers er naar toe te trekken.
Wie de driepoot omgooit, is „af” en gaat uit de kring.
Het is geoorloofd er over heen te springen, maar men mag elkaar niet loslaten. Eindelijk blijft er één over, die 't spel gewonnen heeft. (C.T.I, 197; Z., 1020, Beemster)
b. Hokjestrekken. Het spel heet zo, omdat men in plaats van de driepoot gebruik maakt van een op de grond getekend hok, niet te klein, zodat men er haast niet over kan springen. Wie met de voet erin komt, is „af”. (Beemster)
c. Puttetrekkertje. In plaats van een hok dient een deksel van riool, waterleiding of gas in 't trottoir. (Den Haag)

2. a. Omstaan. Een aantal jongens en (of) meisjes gaat op een rij staan. De oudste gaat een heel eind voor hen staan met de rug naar de rij.
Nu lopen de spelers met grote stappen naar de oudste toe. Deze kijkt onverwachts om en als hij (zij) dan een van de anderen ziet lopen, zegt hij (zij): „Jij moet van voren af aan weer beginnen.” En wie zo het eerste bij hem of haar is, die vooraan staat, heeft het spel gewonnen en mag dan vooraan staan. (Z., 1031, Marken)
b. Anplakkertje. (Spierdijk)
c. Klappertjes. Een kind gaat met 't gezicht tegen een muur (bijv.) staan. De anderen geven het een tik en lopen hard weg. 't Kind bij de muur geeft tien klappen er tegen, waarna 't omkijkt, om te zien, wie er nog loopt. Die moet opnieuw bij de muur beginnen. Wie aan 't eind van de speelplaats komt en weer bij 't kind aan de muur terug, zonder op lopen betrapt te zijn, heeft gewonnen en mag 't volgende spel aan de muur staan. (Beemster)
d.Omkijkertje. (Andijk)
e. Schippertje, man ik overvaren?2 De schipper zegt eerst, hoeveel ze mogen naderen, bijv. een meter, een speldeknop, enz. (Oosterleek)
f. Snijboontjes. (Medemblik.)
g. Stillopertjes. (Twisk)

3. a. Aannemen. 'n Jongensspel. Eén roept: „In hoeveel jaar doen jullie het?” Dan antwoordt een ander:„In vier jaar!” (bijv.). De eerste: „Wie minder dan vier? Niemand? Eénmaal, andermaal, voor de derde maal!”
De aannemer heeft „het” dus in vier jaar aangenomen. Hij gaat nu midden op 't speelterrein staan.
De andere spelers bevinden zich allen aan „honk”, de vrije plaats.
Hij roept: „Het eerste jaar gaat in!”
De jongens draven naar 't „honk” aan de overzijde van de speelplaats.
Ondertussen tracht de aannemer er zo veel mogelijk te tikken. Die getikt zijn moeten hem helpen. Zijn er na vier keer overlopen, de tijd, waarin alle jongens getikt zouden moeten zijn, nog enige spelers niet getikt, dan is de aannemer failliet.
Dan moet deze door twee rijen jongens heen lopen, terwijl ze hem op z'n achterste slaan. In dit geval moet hij drie keer langzaam en drie keer vlug door de twee rijen lopen3.
b. Jaren. (Hauwert, 1885) (C.T.I, 106; E.V.V, 268, Oosterleek)

4. a. Pruisen.
Onder een glazen bruggetje
Daar las een krokodil.
Die had een dikke steenpuist
Op z'n linker bil.
Toen kwam er een jager –
Die was lang en mager.
Hij schoot: Pief, paf!
Jij bent af.
Als door een dergelijk aftelrijm is uitgemaakt, wie „hem” is, roept deze: „Een, twee, drie!” en loopt met de handpalmen tegen elkaar, de vingertoppen vooruit, de anderen na, om op deze wijze er een te tikken.
Als deze „er bij” is, moet hij de eerste een hand geven en zijn beiden „tikkers”. De derde, die getikt wordt, komt tussen deze twee in, elk een hand gevende. Ieder, die nu verder getikt wordt, komt tussen de anderen in. Zo wordt een schaar kinderen gevormd en gaat het spel door, tot er nog één vrij is. – Hij is de winnaar en kiest er één uit, die „hem” bij 't volgende spel moet zijn. Wie „hem” reeds is geweest, mag niet meer gekozen worden. (C.T.I, 90 e.v.; D.I, 242; E.V.V, 269; Z., 1018, Grotebroek)
Van dit spel bestonden in 1934 vele variaties onder verschillende benamingen.
b. Langelier. Hier was het tikken ongeldig, als de tegenpartij de keten verbroken had. Uitroep: „Losse paarden!” (Monnikendam)
c. Errie. (Purmerland)
d. Errie, sprouwen, kaper. (Resp. Midden-Beemster, West-Beemster, Zuid-Beemster)
e. Ketsen. (Marken, Landsmeer, Monnikendam)
f. Pruisen. In Warder moest de uitloper „pruis!” zeggen, als hij de eerste tikte. In Ursem en Twisk mocht de uitloper met de handen samen na tien tellen uitlopen, om iemand te „pruisen”. Waaruit we de betekenis van 't woord „pruisen” kunnen afleiden. (Ursem, Twisk, Warder)
g. Skare(n). (Berkhout, Andijk)
h. Skere(n). (Oosterleek, Wijdenes)
i. Slange(n). (Beemster)
j. Vaste ketting. (Edam)
Opmerking. In de meeste plaatsen moet de „uitloper” de handen gevouwen houden. Bij buitenlandse parallellen moet hij bovendien de beide duimen omhoog steken. De Zwitserse geleerde Prof. dr. S. Singer4 is daarom van mening, dat in dit spel oorspronkelijk de „uitloper” een demon werd nagebootst in de gedaante van een dier.

5. Koekoek, laat je stem eens horen!
Ik en mijn nichtje, zwartoezichtje.
„Heb je ook een hemd voor mij?”
„Neen”, zei mijn nichtje, zwartgezichtje,
„Ik heb er zelf maar vijf:
Twee in de kast, Twee in de was,
Eén aan mijn lijf
Dat zijn er samen vijf”
„Ga jij maar weg, oud wijf!„

(Verteld door de l.l. Corrie Groot te Grotebroek).

Dit is een heel leuk spelletje voor kinderen van zeven à tien jaar.
Bij een paal of boom gaat een groepje kinderen staan.
Er wordt afgeteld, wie de koekoek zal zijn.
Dat kind gaat zich verstoppen in een portiek of poortje. Als het zich verstopt heeft, roept het: „Ja!”
De overigen gaan dan arm aan arm staan en roepen: „Koekoek, laat je stem eens horen!”
Dan roept die drie keer: „Koekoek!”
En dan zeggen de anderen weer: „Hoeveel stappen voorwaarts?” En dan zegt de koekoek een getal, opdat ze hem bereiken. De kinderen lopen zoveel stappen naar de koekoek toe.
Dan gaat hij opeens van zijn schuilplaats weg en probeert één van die kinderen te tikken.
Doch als zij bij honk zijn gekomen, mogen ze niet meer getikt worden.
Degene, die getikt is, moet dàn de koekoek zijn. (Verg. C.T.I, 110; D.I, 237; Z., 10065)

Mag ik hieraan eens een paar woorden toevoegen over de betekenis van het spel van onze kinderen?
Het kind heeft recht op spelen. Het schijnt in deze tijd van woningnood wel bijzonder onpractisch, om te eisen, dat een kind een eigen kamertje moet hebben, om zich daarin terug te kunnen trekken, een veilig plaatsje te hebben voor zijn speelgoed, zijn eigen wereldje te kunnen scheppen, een plaats, waar het zijn fantasie kan uitleven en ontwikkelen. Een zware opgave voor onze bouwers en woning-architecten. Maar toch – een eigen plekje in huis is noodzakelijk, al is het dan ook een zolder of vliering. En hoeveel duizenden kinderen zijn zelfs daarvan verstoken!
Voor het samenspel echter, het gemeenschapsspel is een woning ongeschikt. Het kamerspel maakt hen op de duur nerveus en prikkelbaar. Als een aantal kinderen bijv. een uur in een kamertje heeft gespeeld, gooien ze op 't laatst de hele zaak door elkaar of krijgen ruzie.
Van oneindig veel groter waarde is voor uw kind het samenspel in de vrije buitenlucht. Moeders, als uw kinderen een groot deel van de dag in de school hebben gezeten, laat hen dan zoveel mogelijk buiten spelen. Zoveel mogelijk. Want in de grote steden is in de binnenstad het straatspel door het verkeer onmogelijk gemaakt. En feitelijk is daarom het centrum van de grote steden onbewoonbaar geworden voor kinderen.
Want voor zijn volledige menswording acht ik het gemeenschappelijk spel, het straatspel, hoe het ook langerzamerhand in discrediet is geraakt, absoluut noodzakelijk voor het kind. – We zouden verschillende facetten van het straatspel kunnen belichten: de folkloristische, de filologische, de opvoedkundige kant, het vrijwillig zich onderwerpen aan de regels van het spel en zo meer6. Maar laten we ons bepalen tot een paar woorden over de hygiënische betekenis.

U hebt weleens opgemerkt, hoe de kinderen schreeuwen op de speelplaats van een school, of wanneer de school uitgaat. Dat is niet, omdat het gros zo blij is, dat het van de school verlost is, want deze is tegenwoordig geen verschrikking meer, ondanks de grote klassen7 Het is longengymnastiek, die de jeugd 'nodig heeft, na het lange zwijgen en die ze ook al juichend bij het samenspel, het straatspel, onbewust beoefenen en beslist onontbeerlijk is.
Heel zelden is er echter bij 't spel sprake van de oefening van slechts één orgaan. We zouden kunnen wijzen op de beoefening van het gezicht en gehoor bij bovengenoemd spel „Koekoek”, waar de spelers de verstopte moeten ontdekken en bij „Omstaan”, waar ze vlug moeten horen en zien, wie zich beweegt. Maar misschien acht u dat niet zo belangrijk. Laten wij u dan attent maken op „'t Driepootspel”, een krachtmeting. Hoe worden hierbij vrijwillig de arm- en beenspieren beproefd en ontwikkeld. En dat in het vrije buiten!
Of op het draven van de jongens bij „Onraden”. Zie die knaap zijn benen reppen, om voor de ander „honk” te bereiken. Zie ze „flenteren” bij „Pruisen” en de meisjes bij „Koekoek, laat je stem eens horen!” als de koekoek uitkomt en ze gevaar lopen door deze getikt te worden! Dan is 't gehele corpus in 't geding, de spieren zowel als de bloedsomloop en de ademhaling. Hoe wordt daarmee de stofwisseling bevorderd en de eetlust opgewekt. En lest best, hoe heerlijk slaapt uw kind na afloop met rozen op de wangen.
Nogmaals: moeders, laat uw kinderen zoveel mogelijk buiten spelen! En moedig bovenstaande spelen bij hen aan!

M. Zwaagdijk

1 Uit de enquête betreffende kinderfolklore door het Historisch Genootschap „Oud West-Friesland” in 1934 gehouden.
2 Elders wordt hiermee gewoonlijk een ander spel bedoeld.
3 Door de spitsroeden lopen. Oudtijds een strafmaatregel voor volwassenen. Zo gold in Noorwegen de wet, dat een misdadiger niet aan een paal werd gebonden (om gestenigd te worden), maar dat hij door twee rijen moest lopen, door het volk gevormd, terwijl ieder het recht had, hem met stenen, graszoden en andere dingen te bekogelen. (J. Grimm: Rechts-alterthümer, 694).
4 S. Singer: Aufsaätze und Vorträge, Tübingen, 1912.
5 De betekenis van de letters en cijfers, de literatuuraanwijzingen, kunt u vinden in „De Speelwagen”, 1953, blz. 217. Cors moet daar zijn: Coers. Zuricher m.z. Züricher. Zurich m.z. Zürich. Alemanisches m.z. Alemannisches.
6 Zie hierover: A. Hallema en J. D. van der Weide: Kinderspelen voorheen en thans. 's-Gravenhage, 1943.
7 Op 31 December 1947 waren er in ons land 1694 klassen met 50 en meer leerlingen. En sedert is dat nog veel erger geworden.

 


Hé, is dat Westfries?

499. Wie de buul ('t geld) heeft, is baas.
(Wie de geldbuidel, de portemonnee heeft, die heeft de macht).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.