Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Westfriese boeken te koop

Bibliotheek » De Speelwagen » 1954 » No. 4 » pagina 123-129

Een wandeling door Alkmaar in de Franse tijd

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 4, pagina 123-129.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: R. P. Goettsch.

Al moge de periode van onze inlijving bij Frankrijk niet tot de meest glorieuze uit onze vaderlandse geschiedenis behoren, we kunnen er toch niet stilzwijgend aan voorbijgaan. Trachten wij ons dus een ogenblik te verplaatsen naar ons oude Alkmaar tussen 1810 en 1813. Uit het missievenboek van de maire – wij zouden nu zeggen: burgemeester – Nanning van Foreest van Petten, die als opvolger van mr. Gijsbert Fontein Verschuir dit ambt sinds October 1811 bekleedt, blijkt, dat de stad een verwaarloosde en verlaten indruk maakt. Grote gaten in de straat, vervuilde grachten, straathoeken met grote hopen afval; wallen die als mesthopen worden gebruikt en onverlichte wegen; ziedaar het naargeestige stadsbeeld! En waardoor? Het budget der stedelijke regering was uitgeput. Omdat er door de duisternis reeds twee personen verdronken waren en het departementaal bestuur de maire verhinderde de straatverlichting op de burgers af te schuiven, werd door de overheid bepaald, dat wie tussen elf uur 's avonds en de morgenstond (de tijden der lichte maan uitgezonderd) zonder behoorlijke lantaarn op straat zou worden aangetroffen, in arrest werd gesteld. Zoals het heette was dit een noodzakelijk gevolg van gebleken kwaadwilligheid. Dat zou overigens niet zo vreemd zijn geweest, daar de armoede ontstellend groot was. Volgens opgave van de Fransgezinde prefect De Celles, onder wiens bestuur wij behoorden, waren er in zijn hele departement 2254 bedelaars van professie en werden er in Alkmaar 1256 personen bedeeld op een bevolking van 8688 mensen. In 1810, nog het meest gunstige jaar, werd uit de publieke kas een bedrag van ƒ 46000 uitgekeerd aan de armen. Geen wonder, dat de stadskas leeg raakte en 13 Mei 1811 alle betalingen vanwege het bestuur van Alkmaar moesten worden geschorst. Bij de stilstand van handel en bedrijf, kwamen nog de talrijke („drie en twintig”, schrijft de gouverneur-generaal Lebrun in de Moniteur van 10 Juli 1810) belastingen, de vermindering van de rente der staatsschulden tot een derde (de tiërcering) en het niet uitbetalen der tractementen van de predikanten door de burgerlijke gemeenten, die er door Napoleon toe waren verplicht, doch hiervoor de benodigde gelden niet bezaten.

Alkmaar in de Franse tijd.
Alkmaar in de Franse tijd. De Langestraat, westeinde, met op de achtergrond de Grote Kerk.
Tekening door J. A. Crescent, 1811. Prentverzameling gemeente Alkmaar. Foto „Flandria”.

Om aan de belasting te ontkomen werden vele huizen afgebroken; maar dit mocht alleen als de grondlasten tot 1818 waren betaald! Veel beter werd men dus daar ook al niet van. Loodzwaar drukten de accijnzen, de zgn. droits réunis – door het volk de draaiende ruïne genoemd – op de burgers. Teneinde te voorkomen, dat men de invoerrechten op wijn, bier, gedistilleerd, azijn, zout, tabak, speelkaarten en op het vervoer van personen en goederen, niet betaalde, bepaalde de maire, dat de poorten, bomen en duikers van 1 October tot 1 April geopend zouden zijn van 8 uur 's morgens tot 4 uur 's middags en van 1 April tot 1 October van 6 uur 's ochtends tot 7 uur in de avond.

In het bezit van een binnenlands paspoort, dat iedere burger moet bezitten, zullen we nu maar eens proberen de stad binnen te gaan door de Kennemerpoort. We zijn de Steeweg (nu Kennemerstraatweg) afgekomen, langs de in de zeventiende eeuw aangelegde Hout. Door de Koorstraat bereiken we de Grote Kerk. Onderweg passeerden we de meelmolen „De Groot”, de tegenwoordige molen van Piet. Achter de Grote Kerk, uit het voormalig brouwhuis van het oude begijnhof – thans terrein van PTT – horen we 's Vrijdagsavonds de klanken van het muziekgezelschap „Harmonie”, dat er sinds 1727 bijeenkomt. In de Langestraat treffen we behalve de mairie ook het „postcomptoir” aan, dat „van agt tot twee uuren” geopend is. Natuurlijk niet voor de verkoop van postzegels, want die kende men toen nog niet; maar voor de afgifte van pakjes en brieven. Vóór in de straat is een kantoor van de Keizerlijke Hollandse Loterij, waar P. Meijer agent is. Op de Zaadmarkt heeft I. Prins een dergelijk kantoor in „De vergulde hand”. Verderop in de Langestraat hangt de keizerlijke adelaar uit bij notaris Adrianus Petrus de Lange en zijn collega's G. de Heer en mr. Jacob Nuhout van der Veen. Ook het stadslogement van G. P. Blom is in de hoofdstraat. Notaris Michiel Johan de Lange, die op de Lange Nieuwesloot woont, is er juist bezig een stuk weiland in de Zijpe, groot 1 morgen en 294 roeden, te veilen. Het staat gewaardeerd op 63 franken. We slaan nu maar de Houttilstraat in. Daar vraagt de boekdrukkerij en boekwinkel van Herman Coster, de uitgever van de Alkmaarse Courant, verdoopt tot „Affiches, annonces et avis divers d'Alkmaar” onze aandacht, evenals de geelgieterij van Buissink en de apotheek en „chimistwinkel” van L. J. van Breda. In de Schapensteeg of Maria Magdalenastraat zien we een bekende naam: Jan Biskanter, slager. Hij biedt ons schapenvlees aan voor 3 stuivers het pond en best vet koevlees bij de hele en halve voet tegen dezelfde prijs. De Nieuwesloot is nog een gracht; in het Hof van Sonoy is sinds 1744 het Diaconiehuis gevestigd, met ingang in de Veerestraat. Niet ver hier vandaan, in de Paternosterstraat, tegenover de Dubbele Buurt, is het St. Elisabeth's mannen- en vrouwengasthuis met 28 bedden. Op de hoek van Lombardsteeg en Ramen, door welk laatste straatje een vies slootje loopt, staat het voormalig Schoenmakersgildehuis. Zoëven zijn we voorbij de hoofdwacht van de nationale garde gekomen, de opvolgster van de in 1812 ontbonden gewapende burgerwacht. Zij bestaat uit een grenadiers- en jagercompagnie, elk ter sterkte van 4 officieren en 50 tot 60 onderofficieren en manschappen. Commandant is Frits van de Graaff, wiens broer, de zeepzieder, tegelijk rechter en secretaris der stad is. Tegenover de hoofdwacht woont de straks genoemde notaris Michiel de Lange, die op 26 November 1813 het volk zou toebulderen „Oranje boven! Zet de vlag voor den donder op de toren.”

We moesten ook maar even op het Waagplein gaan kijken. Als het Vrijdagmorgen is, en na 1 Juni, luidt om 8 uur 's morgens de Waagtorenklok het begin van de markt in, zoals ze om 3 uur het einde zal aankondigen. Behalve de witte kuitbroeken der kaasdragers, het schilderstuk in de gevel van het Waaggebouw en de luifels boven de ingangen der waaghallen, is er sindsdien weinig veranderd.

Waag en Kaasmarkt te Alkmaar, 1e helft 17de-eeuw.
Waag en Kaasmarkt te Alkmaar, 1e helft 17de-eeuw.
Naar een schilderij in het Stedelijk Museum te Alkmaar.
Foto Lichtbeelden-Instituut.

Zodra we uitgekeken zijn op de bont-gekleurde hoeden der dragers, op de voorbij wandelende heren in hun buizen met lange panden – zgn. rokken – hun vesten boven de heup en hun kaplaarzen tot de knie en op de dames, die „allengs de breedte van heur gewaad hebben ingekrompen tot eene rankheid, die bijna armoede wordt in den engen, niet te langen rok, met schrale belegsels beneden, en onmiddellijk onder den boezem met eene ceinture afgesloten van het enge, wel wat laag geopende bovenlijf, waaraan de kanten kraag evenmin enige sierlijkheid bijzet als de doffen beneden den schouder aan de nauwe mouw, die zich, om de pols gesloten, tot bijna over de vingeren uitstrekt” (Hofdijk, Het Nederl. volk, blz. 285), zetten we onze tocht voort door het Venisse of Fnidsen. Op de hoek van deze straat en de Mient verkoopt Jan Havik beste koffie à 8,14 en 20 stuivers het pond. Maar echte is het vast niet, getuige ook de advertentie in de Alkm. Cour. van 19 Augustus 1811: „A. Wackie op de Oude Gragt op de hoek van de Ridderstraat, adverteerd het Publiek, dat zij zich heeft voorzien uit de Konst-Koffy-Fabriek van de Heeren J. Löhr en Comp. te Amsterdam en bij haar te bekomen is de onderscheiden soorten van Konstkoffy, welke in gemelde Fabriek wordt vervaardigd en van welker onschadelijkheid de Hooggeleerde Heeren Van Geuns te Utrecht, Reinwardt te Amsterdam en Thuessinck te Groningen, het volledigst Declaratoir aan de Fabrikeurs ter hand hebben gesteld, na dat aan Hun Hooggeleerden de Ingrediënten en menging was meegedeeld. Behalve dit kan het aanvankelijk goed vertier derzelve een Bewijs opleeveren van de goedkeuring met welke deze Konstkoffy ontvangen wordt. No. 1 à 13J st., no. 2 à 10 st. en no. 3 à 7 st. het Pond.” Achter in het Fnidsen „aan de zuidzijde, bevindt zich de Remonstrantse kerk en aan de noordkant het Kuipersgildehuis. Terug uit deze straat gaan we langs de winkel van Bergweyer, achter de Vismarkt, om een paar Westfaalse hammen op de kop te tikken en de bakkerij van de weduwe Hannelier op de hoek van Mient en Vismarkt, waar men ons „alderbest Rogge- en Tarwe-brood, Beschuit als mede zeer smakelijk Krentenbrood” kan leveren. Op het Dronkenoort, een gezellig grachtje met bomen, is sinds 1771 het Roomse wees- en armenhuis gevestigd in het huis „De Sterrekroon”, thans een R.K. kleuterschool. De stadsweeskinderen, vroeger verpleegd in het Burgerweeshuis en thans uitbesteed, waren ruim honderd in getal; dit was ook het geval met de kinderen uit „De Sterrekroon”. Onder het slag – het uitgeslagen luik beneden de luifel – van het huis „De Wildeman”, bij A. H. Korrelflinke, is tarwemeel te koop voor 7 stuivers het metje (een metje is 2,5 kop). In normale tijden, toen het Continentale stelsel ons nog niet van de zee had verjaagd, zou men op het slag tobbetjes erwten, bonen, koffie, rijst, matten met vijgen, laatjes met suiker, rozijnen, krenten, vermicelli, blauwsel en wat niet al kunnen vinden. G. Stam, naast het weeshuis, handelt in korte Friese turf, brandhout en „opregte Brabandsche steenkolen”. Als we onderweg wat flauw beginnen te worden, wippen we even „Het Ossenhoofd” binnen op de hoek van de Kapelsteeg en kopen er een nieuwe haring voor 2,5 stuiver. Wie meer op zoet gesteld is, loopt de andere kant op, naar de hoek van de Turfmarkt, waar hij in de bakkerij „De Keizer” van P. Nierop Kz. een” Tulpband”, kaakjes, moppen, geraspte, boter-, paling-, en andere broodjes of spauwers kan krijgen. Laten we hopen, dat hier niet geknoeid wordt, want de adjunct-maire Van Oostveen heeft in Maart 1812 de bakkers moeten waarschuwen hun meel niet voor de helft met gemalen bonen te vermengen. Maar wat móéten de mensen: de regering heeft de maximum-prijs van de last tarwe bepaald op ƒ 320, terwijl ze beneden ƒ 648 niet te bekomen is. De meergenoemde De Celles bericht October 1811 aan de intendant van Binnenlandse Zaken d'Alphonse, dat er alleen in zijn departement van de Zuiderzee (de oude gewesten Holland benoorden het Y en Utrecht) een tekort is van 665743 hl. graan.

Voor we de Bierkade opgaan kijken we nog even naar rechts en zien er vlak bij ons het Accijnstorentje en de Waterpoort en in de verte, aan het eind van de Voormeer, de Boompoort. Nog niet van de stad gescheiden, door het in 1825 gegraven Noordhollands kanaal, hebben we aan onze rechterhand het Heiligland of de Deventer houtmarkt met aan het einde de Schermerpoort. Van alle stadspoorten hebben we nu nog niet vermeld de Friese Buitenpoort – de Binnenpoort werd in 1802 afgebroken – en de Geestpoort. Zullen we op het Klein Oudorp nog even aanlopen bij Isaäc Prins, „geauthoriseerd splitzer”, die op 26 Augustus 1812 het geluk heeft gehad, dat bij hem „getrokken is in de 4e klasse der IIIde Keizerlijke Hollandse Loterij op No 6809 de hoogste prijs van ƒ 50000.”?

Is het u niet opgevallen, dat we in het geheel niet over bedrijven hebben gesproken? Er zijn er wel, doch de meeste zijn in verval. Zelfs de bierbrouwerijen die toch eigenlijk floreren moesten, nu zelfs de joosjesthee ƒ 8 per pond kost. Maar er is ook geen hop! Uit diverse bescheiden bleek mij, dat er 5 leerlooierijen, 26 timmerwinkels, 9 metselaarszaken, 7 vrachtrijderijen, 2 zeepziederijen (”De Ankers” en „De Star”) en 3 zoutziederijen (”De Burg”, „Het Anker” en „De Eendragt”) nog in 1813 werkzaam waren.

Tabakswinkels zijn er nog slechts vier in de hele stad, nl. van de debitanten der keizerlijke regie. En wat men er verkoopt heeft weinig met echte tabak gemeen. Meestal was het hoefblad, in het gunstigste geval „eigen teelt”. Trouwens, daar liep men wel meer tegenop: ereprijs of Veronica voor thee, gebrande erwten met gebrande stroop als koffie, sterk afgekookte bieten in plaats van suiker. P. Walraaven op de Oude Vest hoek Groot Nieuwland adverteert met „konstsiroop à 10 stuivers het pond”. Smakelijk eten! Herinnert u zich nog al dit lekkers uit de Duitse bezettingstijd?

Er zal dus wel veel werkloosheid in de stad zijn. Dat denkt de maire tenminste ook; en daarom biedt hij aan de klagers werk aan de verdedigingswerken van Den Helder met een verdienste van 35 stuiver, tot ƒ 2 daags en „een ration Genever”. Doch nu blijken al deze mensen plotseling werk genoeg te hebben, terwijl de bazen zo druk zijn, dat ze hun knechts niet kunnen missen. Dan maar dreigen tot een gedwongen aanwijzing over te zullen gaan, „welke zeer onaangenaam zowel voor de werklieden als voor den maire zelven zoude zijn”. Aan die werken arbeiden ook Spaanse krijgsgevangenen, waarvan er ook enige in Alkmaar schijnen te wonen. In November 1811 wordt althans aangifte gedaan op de griffie van zes sterfgevallen onder deze soldaten.

Buiten de Friese poort staat de molen „'t Roode Hert”, een volmolen, en op de Ruiterstuin – een warmoezerij, waar nu de De Ruyterstraat is – de zaagmolen „De Strooijjonker”. Laten we de overige molens tegelijk de revue maar laten passeren: op de Gasthuisweide aan de noordzijde der stad vindt men de drie houtzaagmolens „De Ruiter”, „De Simson” en „De Hoop”. Aan de Koedijkervaart, in 1825 opgegaan in het Noordhollandsch kanaal – draait de zaagmolen „De Liefde” zijn wieken door onze grauwe luchten. Op het Weezenland, in het westen, staat een schilderachtig klein mosterdmolentje te klappen en dan zijn er tenslotte nog de vier meelmolens „De Groot” – al genoemd – „De Wolf” aan het Wolfspad, „De Monnik” tegen het Munnikenbolwerk aan en „De Zwart” op het noordoosterbolwerk.

Tijdens deze overpeinzing waren we op het Klein Oudorp gebleven; maar nu gaan we, via de St. Jans- of Heekelstraat en over de nog niet gedempte Laat terug naar de Langestraat. Uit de Kapelsteeg gekomen, zagen we daar de Kapelkerk; op de hoek van de Diggelaarssteeg treffen we er de St. Laurensstatie aan. Waren we de Ridderstraat ingelopen, we zouden er de stadsarmenschool hebben gevonden. Vroeger was dit het kerkgebouw van de Friese Doopsgezinden, doch in 1808 is deze gemeente samengesmolten met die van de Waterlandse Doopsgezinden, wier kerkje nog altijd aan de Koningsweg staat. Recht tegenover het ongedempte Vijvertje bevindt zich de synagoge, in de Hofstraat, in het huis „De Mosterdpot”, eertijds de woning van Drebbel. Op de Oudegracht kunt u de Lutherse kerk aantreffen en er juist tegenover op de Baangracht, de Banekerk of St. Dorninicusstatie. Onze stad bezit er nog twee: de statie van St. Mattheus aan de St. Jacobstraat en die van St. Franciscus in de Schoutenstraat. De bevolking van Alkmaar was voor 30 pct. R.K., voor 1 pct. Israelietisch en voor de rest Protestants.

Baangracht met Lutherse Kerk te Alkmaar.
Baangracht met Lutherse Kerk te Alkmaar. Tekening door Corn. Pronk, 1e helft 18de eeuw.
Prentverzameling der gemeente Alkmaar. Foto „Flandria”.

Straks noemden we de armenschool. Er waren toch zeker wel meer onderwijsinrichtingen te noemen? Zeker wel; hoewel het met het onderwijs niet best gesteld was. De geschiedschrijver Jorissen merkt dienaangaande op (De Omwenteling van 1813), dat „verwaarlozing van het onderwijs van de zijde eener regering ook een middel tot onderdrukking is en misschien wel het meest afdoende”. Uit de opgave van Fontein Verschuir blijkt, dat er in 1810 in Alkmaar waren: een Latijnse school, een Franse kostschool voor jongelingen en een voor „Jonge juffrouwen”, een stadsarmenschool, een school van de Mij. tot Nut van het Algemeen, bezocht door de kinderen der aanzienlijken en 'n zestiental behoeftige leerlingen, vier bijzondere lagere scholen, een school der Israëlietische gemeente; tevens gaf een stadslector les in ontleed-, heel-en verloskunde. Cuvier en Noël, die in 1811 ons land bereisden, om de staat van het onderwijs op te nemen, rapporteren, dat de Latijnse school nog slechts drie leerlingen telt.
Ongetwijfeld zou er nog meer te zien zijn, als de ruimte een verslag toe zou laten.

Wel willen we notitie nemen van de drukte, die er in de Langestraat heerst. Er is al een paar dagen spanning. Op 22 November 1813 is een zekere Du Tour uit Den Haag gekomen met de onafhankelijkheidsproclamatie van het bekende Driemanschap Van Hogendorp, Van der Duin van Maasdam, Van Limburg Styrum. Vier dagen later wacht deze echter nog steeds op publicatie, omdat de onderprefect Verschuir en de maire Van Foreest geen trek in de afkondiging hebben. Vrijdag 26 November eisen de schippers en boeren uit de omtrek, die naar de kaasmarkt zijn gekomen, uitsteken van de vaderlandse driekleur en beginnen ze de Waagtorenklok te luiden. Daar de overheid blijft dralen hakt het publiek de knoop door. Een jonge schippersknecht van de Langedijk, Hannes Douwes, klautert buiten de langs de toren omhoog, daar de toegang tot de trap gesloten blijft. Met de vlag om het lijf gebonden, bereikt hij zijn doel en even later heeft Alkmaar kleur bekend en is de Franse tijd voorbij.

R. P. Goettsch

 


Hé, is dat Westfries?

160. De handel op de veemarkt was levendig; de skossen waren druk in de weer (de daghandelaars die op dezelfde dag kopen en verkopen).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.