Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Stemmen Molenprijs Lastdrager.

Archivering » De Speelwagen » 1954 » No. 10 » pagina 316-319

De molen van de Oosterpolder

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 10, pagina 316-319.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Door tussenkomst van de vereniging „De Hollandsche Molen” hebben rijk, provincie en gemeente Nieuwe Niedorp financiële bijdragen verleend voor de restauratie van de molen van de Oosterpolder, staande in Nieuwe Niedorp aan de Oosterweg. Het betreft hier een fraai gelegen grote rieten, achtkante poldermolen van het Noordhollandse type binnenkruier. De restauratie omvatte het herstel van de waterloop, nieuwe molenzeilen, kapherstel, rietdekwerk van het achtkant en reparatie van de wieken. De kosten waren ƒ 3545 waarin het rijk ƒ 886 en provincie en gemeente ieder ƒ 354 bijdroegen.

Niettegenstaande de polder sinds kort beschikt over een met belangrijke kosten tot stand gebrachte en uitstekend werkende electrische bemaling, nam het polderbestuur het besluit deze windmolen volledig in tact te houden en er ook mee te werken. Zij dient ook nog steeds als woning voor de molenaar.

Een gedenkplaat in het woongedeelte aangebracht, vertelt ons, dat zij honderd jaren geleden werd gebouwd door de timmerbaas Jacob van der Stok „onder directie van E. F. Scheltinga Winterberg, dijkgraaf, A. Fijnheer, Jan Koopman, H. Koomen en J. Butter, molenmeesteren en H. Rezelman, secretaris”. De eerste steen werd gelegd door Jacob Dirksz. van der Stok, oud 2½ jaar, die later - van 1899 tot 1910 - burgemeester van Nieuwe Niedorp zou zijn.

Zo blijft deze molen in onderlinge samenwerking behouden als sieraad van het Westfriese landschap en als een der helaas voortdurend in aantal verminderende voorbeelden van de vinding en kunde van onze voorouders, waardoor enkele eeuwen aaneen een grote weldaad aan de structuur- en cultuurverbetering der landerijen werd bewezen, vooral toen in het laatst der zestiende eeuw door een nieuwe uitvinding de vaststaande kap door een draaiende kon worden vervangen en van alle winden kon worden geprofiteerd.

In de Niedorper Kogge kwamen reeds vroeg watermolens voor. Dit blijkt uit de „informaecie upt Stuck der Verpondinghe”, gehouden in 1514, en waarin gezegd wordt dat er vier watermolens in deze kogge zijn. Toch was de uitvinding van de watermolens reeds veel ouder Uit een rekening van Philips van Dorp, thesaurier-generaal van Holland van 1 Maart 1406-19 Juni 1408 blijkt nl. dat in 1408 de heemraden van Delfland naar Alkmaar zijn gereisd om het feit te gaan onderzoeken dat heer Floris van Alkemade en Jan Grietenzoon met een molen water hadden uitgeworpen. (Ontleend aan Beekman, Nederland als Polderland.)

Nu we het hebben over watermolens in de Niedorper Kogge, moet hieruit niet worden afgeleid dat er sprake was van een gemeenschappelijke bemaling van deze kogge; integendeel een verenigde bemaling was niet mogelijk. De ligging van het terrein leende zich daar niet voor. Mr. G. de Vries Azn. zegt daarover in Het Dijks en Molenbestuur in Holland's Noorderkwartier... het volgende: „Er waren veel meer afzonderlijke bemalingen nodig, en de grenzen der bannen waren bij de scheiding der molenpolders niet te volgen. Vandaar dat de oprichting van molens hier niet van de dorpsregeringen is uitgegaan maar van de grondeigenaars zelve. In gemeenschappelijk overleg bepaalden deze welke uitgestrektheid lands in een zelfde bemaling gevoegelijk konden worden begrepen, omringden die met een kade, bouwden voor gemeene rekening een molen, verhoefslaagden de kade onderling en kozen twee of meer molenmeesters om het beheer over de molen te voeren: alles zonder tusschenkomst van het openbaar gezag.”

Reeds vó'ór 1557 heeft de Oosterpolder, die zich op grondgebied van de gemeenten Winkel en Nieuwe Niedorp uitstrekt, molens gehad. Dit blijkt uit een uitspraak van 30 October 1557 van de Hoge Raad van Mechelen in een geschil tussen Drechterland en de Schager en Niedorper Koggen. Drechterland trachtte nl. van het onderhoud van de ver buiten dit ambacht gelegen Winkeler dijk (een deel van de Westfriese dijk) bevrijd te worden. In deze uitspraak leest men nu, dat het uitgedolven land achter deze dijk niet anders dan riet en water was voordat de watermolens gezet werden.

Op 28 Januari 1647 verkreeg de Oosterpolder octrooi van de Staten om een algemene keur te maken en schouw te voeren. „De polder” aldus De Vries - „werd (toen) geregeerd door vier molenmeesters te weten twee van Winkel en twee van Niedorp... die het opzicht voerden over de kaden, de drie watermolens, de tochten en molensloten, overeenkomstig zeker accoord tussen Winkel en Niedorp van 20 November 1575, op 28 Augustus 1634 vernieuwd.”

Andere polders in de Niedorper Kogge hadden reeds veel eerder behoefte gehad octrooi voor keuren en schouwen aan te vragen. De Kostverloren polder verkreeg het reeds in 1553, de Niedorper polder en de Leijer molen in 1556, de Waterkampermolen in 1568, de destijds nog verenigde Weere-, Zoutkaag- en Moerbeekerpolder in 1570.

Er ontstond behoefte aan deze octrooien. Aanvankelijk meenden de landeigenaren dat zij wel onder elkander en zonder openbaar gezag hun bijzondere belangen konden regelen. „Een korte tijd” - aldus De Vries - „ging dit goed en werkten allen eendrachtig mede tot bevordering van het gemeenschappelijk doel. Maar weldra verslapte bij sommigen de ijver, verflauwde de zorg. Enkelen verzuimden het onderhoud hunner hoefslagen; het kwade voorbeeld vond navolging en de kade, die het water van de binnenboezem der kogge of van de aangrenzende landen moest keren, werd voor die taak ongeschikt. Hoe hierin te voorzien? Door een gewone burgerlijke rechtsvordering de nalatigen tot hun plicht te brengen, was een eindeloze omslag, een onbegonnen werk. Men schijnt er zelfs niet aan gedacht te hebben. Dijk- en polderzaken waren naar het begrip van die dagen geen onderwerpen van burgerlijk recht. Zij behoorden tot het politierecht. Dijken, wateringen en sloten regeerde men met keuren, voor wier naleving het openbaar gezag waakte. De enig weg om tot een goed einde te komen, was dus de nieuwe molengemeenschappen te stellen onder de hoede van het openbaar gezag, ze als publiekrechtelijke verenigingen te doen erkennen.

Uit het feit, dat de Oosterpolder zoveel later dan de andere polders in de Niedorper Kogge hieraan behoefte bleek te gevoelen, blijkt dat molenmeesters in deze uitgestrekte polder (1141 ha) de zaken lang in orde hebben weten te houden zonder gezag als publiekrechtelijk lichaam. Tenslotte konden ook zij niet langer zonder deze publiekrechtelijke ruggesteun en verkregen zij, zoals gezegd, bij octrooi van de Staten van 28 Januari 1647 de bevoegdheid een algemene keur te maken en schouw te voeren.

Ik zou dit overzicht willen besluiten met er op te wijzen, dat de geest van het polderbestuur van enkele eeuwen geleden om de zaken in orde te willen hebben in niet mindere mate aanwezig is in de regeerders van deze polder in de huidige tijd; niet alleen in de regeerders maar ook in de ingelanden, nu kort geleden in zo grote eensgezindheid de uitstekende electrische bemaling werd gesticht. Dat niettegenstaande deze stichting de honderd-jarige molen behouden kon blijven, ja goed werd gerestaureerd, getuigt van het polderbestuur dat het naast de behartiging van de materiële belangen ook oog heeft voor andere waarden.

Baken

 


Hé, is dat Westfries?

225. De kippen lopen allemaal te eizen (voedsel zoeken en oppikken).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.