Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1955 » No. 6 » pagina 188-192

In de Spiegel van de Speelwagen

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 10e jaargang, 1955, No. 6, pagina 188-192.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Duistere eeuwen

De vroegste en vroege geschiedenis van ons waterland komen - dank zij vooral het steeds meer geperfectionneerd bodemonderzoek - voortdurend sterker onze belangstelling vragen. Juist die tijden, waarover geen schriftelijke overleveringen ons nader inlichten of waaromtrent - zoals over de Romeinse tijd - de bronnen schaars en moeilijk te interpreteren zijn, prikkelen onze aandacht!

Zo trof ons onlangs een passage in een artikel van dr. W. C. Braat over de Saksen in Friesland1, waarin deze herinnert aan een reeds eerder door hem uitgesproken vermoeden, dat nl. de Friese expansie langs de Hollandse en Zeeuwse kust zou zijn veroorzaakt door het overstromen en daardoor onbewoonbaar worden van West-Friesland in de laat-Romeinse tijd.2

„Die overstroming van het Westfriese veengebied - aldus dr. Braat -, de vorming van een kleilaag gedurende de Merovingische tijd, het ontbreken van vondsten uit deze periode (ook Angelsaksische) in Westfriesland, dit alles is bodemkundig en oudheidkundig duidelijk vastgesteld.”

Natte en droge perioden

Die overstromingen, welke West-Friesland onbewoonbaar maakten, vallen in een „natte periode”, door P. J. R. Modderman beschreven als oorzaak van een zelfde verlating en ontvolking van zeer vele woonplaatsen in het gebied tussen de grote rivieren.3

Deze bodemkundige meent op grond van onderzoekingen in dit rivierkleigebied een reeks van afwisselend droge en natte perioden, zo tussen ca. 1800 vóór en 1400 ná Christus te kunnen vaststellen. Hij onderscheidt drie natte perioden, resp. tussen ca. 800 en 100 vóór Christus, in de laat-Romeinse tijd en in de veertiende en vijftiende eeuw.

Deze natte perioden, afgewisseld door droge, lopen parallel met de transgressies en regressies (rijzingen en dalingen van het zee-niveau) in westelijk Nederland. Modderman ziet voorts deze „wisselingen in de waterhuishouding” als gevolgen van klimaatsveranderingen.

Opbouw en afbraak

Interessant is het daarnaast te bezien de resultaten van een onderzoek door G. D. van der Heide betreffende „Bewoningsfasen van het gebied van de latere Zuiderzee”.4

Schrijver constateert in dit gebied eveneens afwisselend fasen van opbouw en afbraak. Het onderzoek wordt hier wel duchtig bemoeilijkt doordat de resten van vroegere bewoningen door het watergeweld vaak zijn verplaatst; de meeste bodemvondsten worden ook niet meer aangetroffen in de oorspronkelijke omstandigheden, „in situ” zoals dat heet. Vondsten uit de Steentijd zijn er weinig; uit de Bronstijd (ca. 1600-500 vóór Christus) dateren o.a. enkele vuurstenen sikkels, gevonden op Wieringen, bij Wervershoof en Grotebroek, een vuurstenen dolk en wat werktuigjes onder Kuinre, enkele klokbekerscherven en gewei-fragmenten van edelherten. In de Wieringermeerpolder werden nog gevonden enkele skeletresten van een tweetal zgn. grijze walvissen, die blijkens onderzoek van een grondmonster uit een van de kaken, „aan de westzijde van de tegenwoordige polder terechtgekomen moeten zijn op de overgang van het Atlanticum naar het Subboreaal”, de vroege Bronstijd dus. De dieren moeten daar zijn gestrand, hetgeen betekent, dat er toen een open verbinding was met de „Noordzee”. Schrijver denkt daarom aan een „overstromingsfase ca. 1800-1600 vóór Christus”!

„Het ligt voor de hand - aldus schrijver - verband te zoeken tussen de in een zout milieu gesedimenteerde (is: afgezette) kleigronden van West-Friesland en de cardiumklei (is: klei waarin resten van een schelpsoort: cardium edule, hartschelp of kokkel, een mosselsoort) van de Noordoostpolder, aangezien deze afzetting min of meer analoge bewoning heeft gehad: in beide gevallen is er sprake van 'n tijdelijke, later onderbroken bewoning uit de Bronstijd tot in de IJzertijd.”

Wat nu de Ijzertijd (ca. 500 vóór tot 400 ná Christus) betreft, zegt schrijver: „In de Wieringermeerpolder ontbreekt ieder spoor van menselijke aanwezigheid van het midden van de Bronstijd, dus ca. 1000 voor Christus tot de IXde à Xde eeuw na Christus.”

In de Noordoostpolder werden daarentegen nog scherven van zgn. Fries-Bataafs aardewerk gevonden, uit de eerste eeuwen onzer jaartelling dus. Dan komt er een hiaat en volgen pas enkele vondsten van scherven aardewerk uit op z'n vroegst de negende eeuw. Hier zou dus de bewoning van de vijfde tot negende eeuw ongeveer onderbroken zijn geweest. Men zou hier verband willen leggen met de door Modderman op grond van zijn onderzoekingen in het rivierkleigebied veronderstelde perioden. Ook Van der Heide denkt als oorzaak van het onderbreken van de bewoning in het gebied van de Noordoostpolder uiteindelijk aan de invloed van „ongunstige klimaatsomstandigheden”.

Voor de periode van de negende tot dertiende eeuw verwijst schrijver naar het bekende onderzoek van dr. Braat, die indertijd in de Wieringermeerpolder resten van zeven kleine nederzettingen vond. De oudste scherven daar gevonden zijn van het zgn. Pingsdorf-aardewerk, daterend uit de tiende tot twaalfde eeuw; de jongste zijn van het vroeg-Duitse steengoed uit de veertiende eeuw, terwijl niet werd aangetroffen het bekende uit Siegburg afkomstige ongeglazuurde aardewerk, dat ca. 1375 verschijnt. Dit deel van de Zuiderzee was dus bewoond tussen de negende en veertiende eeuw. Geleidelijk ging hier land verloren; sporen van oude dijken bewijzen hoe men zich telkens tegen het water teweerstelde, totdat nog voor het einde van de veertiende eeuw het gehele gebied door het water was verzwolgen, evenals dat aan de overzij, onder Kuinre.

Deze overstromingen vielen dus voor in de derde door Modderman geconstateerde natte periode.
De in deze periode verloren gegane gronden behoorden alle tot een op het veen gevormd kleilandschap, opgebouwd in de vierde tot negende eeuw. Ook bij Kuinre, ten noorden van Schokland en waarschijnlijk bij Urk zijn uitgestrekte gebieden van deze klei-op-veengronden van de tiende tot de twaalfde eeuw bewoond „of althans bedijkt” geweest.

Aelmere en Boorne

H. Halbertsma in een artikel, getiteld „Enkele oudheidkundige aantekeningen over het ontstaan en de toeslijking van de Middelzee”5, wijst nog eens op het verhaal van de laatste missiereis naar Friesland van Bonifatius, anno 754, geput uit diens levensbeschrijving door Willibaldus. Bonifatius reisde vanaf Utrecht naar Friesland over het „Aelmere”, dat nadrukkelijk als een „stagnum”, d.w.z. een zoetwaterplas aangeduid wordt.

De Middelzee heette toen nog de Boorne6 (de naam Middelzee komt eerst ca. 15OO voor: in de Kroniek van Worp Tjaarda, abt van het klooster Thabor bij Tirns ten noordwesten van Sneek) en wordt aangeduid als een „flumen”, een „stroom”.

Reeds in de dertiende eeuw was de dichtslibbing aan de gang van deze welhaast tot een „zeearm” uitgedijde stroom, en de beruchte watervloed van 1287 kon dit toeslijkingsproces wel vertragen, maar niet onderbreken. Geleidelijk volgt ook de indijking.

Het Bilt, dat in 1398 een „uutlant”, dus buitendijks land heet, wordt tenslotte in de jaren 1505-1508 bedijkt.

Invasie in Friesland

Nu we zo over het Aelmere varend in Friesland zijn beland, grijpen we weer even terug op het artikel van dr. Braat over de Saksen in Friesland. Dit brengt ons midden in de actuele strijd over de betekenis van de Angelsaksische invasie in Friesland. Hierbij gaat het er voornamelijk om of de Friezen, het volk dat de Romeinen in de eerste eeuwen onzer jaartelling aantroffen in de kuststrook, door de in de vijfde eeuw binnendringende Angelsaksen zo niet geknecht en zelfs uitgeroeid, dan toch hun eigen aard geheel of grotendeels hebben ingeboet óf dat zij goed en bloed en bovenal hun vrijheid ongerept hebben weten te handhaven.

Het is een bekend feit, dat in de periode tussen de afbrokkeling van het Romeinse imperium in de vijfde en de opbouw van het Frankische rijk in de zevende eeuw, de schriftelijke overlevering ons aangaande de lage landen bij de zee lelijk in de steek laat.

Het zijn de „duistere eeuwen”, waarin onder de Germaanse volkeren en stammen grote verschuivingen en veranderingen optreden.

De Bataven, de Usipeten, de Canninefaten en hoe die stammen, welke de Romeinen benoorden de Rijn aantroffen, meer mogen heten, verdwijnen uit de geschiedenis, verdreven door of opgegaan in de opdringende Frankische stammen. Slechts één volk zou zich in zijn oude woonplaatsen gehandhaafd hebben, dat der Friezen!

Het oudheidkundig bodemonderzoek heeft het geloof in de continuïteit van het Friezendom bedenkelijk aan het wankelen gebracht.

De afgraving van de terp te Hoogebeintum (1905/1906) en nog sterker die van de terp te Ezinge (1932)7 wezen duidelijk op een invasie van Angelsaksische immigranten, „afkomstig uit de streken rondom de benedenloop van de Elbe”, in het Friese terpengebied sedert de vijfde eeuw. Een immigratie, die somtijds met gewelddaden gepaard ging, maar die uiteindelijk toch van blijvende aard zou zijn geweest.

Die opgravingen toonden aan „dat er een frappant onderscheid bestond tussen de hoeven en de ceramiek der Friese terpenbewoners en die der contemporaine bevolking van het stamland der Angelsaksen” zegt Boeles8 en even verder: „Juist in de vroege tijd, waarin de Angelsaksen, ca. 450 na Christus, na voorafgaande tijdelijke „raids” naar Engeland of Frankrijk, die nauwelijks sporen nalieten, als kolonisten naar het westen trokken, is het verschil tussen de cultuur van Friezen en immigranten groot en zonder moeite waarneembaar voor geschoolde ogen. Eerst ná en tengevolge van het opdringen der Angelsaksen en hunne veroveringen vervlakken de tegenstellingen en heeft er een cultuurversmelting plaats gehad.”

Deze aantasting van wat Boeles zelf noemt „het dogma van het ongerept voortbestaan van de Friese stam”9 heeft uiteraard, vooral bij de Friezen, beroering verwekt en weerstand opgeroepen, o.a. van de zijde van prof. Gosses10 en andere historici.11

Niet voor niets draagt het hoofdstuk in Boeles' boek, waaraan de hierboven gegeven citaten zijn ontleend, het opschrift „Historie tegenover Archaeologie”. Hopen we slechts, dat de geleerde schrijver gelijk krijgt wanneer hij uiteindelijk verzekert: „Gelukkig zijn er tekenen, dat de historici en de archaeologen naar elkaar toe beginnen te groeien.” Dr. W. C. Braat in zijn genoemd artikel wijst, nuchter en bezonnen, reeds de weg tot een beter verstaan tussen historici en archaeologen. Hij waarschuwt tegen te vergaande conclusies. Juist uit die „duistere” eeuwen weet men daartoe te weinig van de toestanden en gebeurtenissen af. Terecht wijst dr. Braat op de „complexiteit van het historisch gebeuren”. Hoe bijzonder ingewikkeld zullen de toestanden zeker zijn geweest in die eeuwen vol van grote volksverhuizingen en voortdurende machtsverschuivingen! Waarbij in de lage landen nog komt de door het wassen of vallen van het water zo afwisselende bodemgesteldheid, waarvan de al of niet bewoonbaarheid afhing.

1 Tijdschrift voor Geschiedenis, jrg. 67 (1954), blz. 91 e.v.
2 De expansie der Friezen in den Volksverhuizingstijd. Oudheidk. Meded. N.R. XXV (1944).
3 De bewoonbaarheid van het rivierkleigebied in de loop der eeuwen. Tijdschr. Kon. Nederl. Aardrijksk. Gen., deel 72 (1955), blz. 30 e.v.
4 Tijdschr. Kon. Nederl. Aardrijksk. Gen., deel 72 (1955), blz. 39 e.v.
5 Tijdschr. Kon. Nederl. Aardrijksk. Gen., deel 72 (1955), blz. 93 e.v.
6 Boorne zou „grenswater” betekenen, het scheidde de gouwen Oostergo en Westergo.
7 Zie vooral: mr. P. C. J. A. Boeles, Friesland tot de elfde eeuw (tweede druk, 's-Gravenhage 1951) en Dr. A. E. van Giffen, Der Warf in Ezinge (1936).
8 Friesland tot de elfde eeuw, blz. 246.
9 Friesland tot de elfde eeuw, blz. 243.
10 Reeds bij de bespreking van de 1ste druk van Boeles' werk, 1927, in: Tijdschr. v. Geschiedenis, jrg. 44 (1929), blz. 14 e.v.
11 Zie vooral: P. Sipma, Een Angelsaksische invasie in Friesland? Assen, van Gorcum & Comp., 1953.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.