Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Westfriese boeken te koop

Bibliotheek » WFON » 1936 » Pagina 21-27

Het dijksmagazijn „de Tent” aan den Noorderdijk van Drechterland

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 10e bundel, pagina 21-27.
Uitgave: Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland', 1936.
Auteur: P. Schuurman.

Door P. Schuurman te Graft.

Het was met Kerstmis van het jaar 1638, dat de waarschappen van Enkhuizen en de dorpen der Oosterkogge van Drechterland gelastten, om de noodklokken over te halen wegens gevaar van dijkbreuk van den Noorderdijk door den hevigen N. W. storm. Waarschappen waren in vroeger dagen in het algemeen lieden als gemachtigden, om de belangen van het Ambacht, in deze van Drechterland te behartigen. (Zie over het woord „waarschap” bij Beekman's Dijken Waterschapsrecht, blz. 1712 e.v.). Ook in de handvesten van Enkhuizen vindt men op blz. 57 over de bemoeiïngen van de waarschappen van Westfriesland o.m. „Ende de waer-schappen van den Lande ende of eenige stormen ende opwateren quamen ende eenighe groote lasten op die dijeken waren, soo sal ijegelijck waerschap in sijn Dorp gehouden sijn terstond de kloeke te doen slaen ende macht hebben te bevelen ijegelijck binnen sijn Jaren sijnde, haestelijck op den dijck te komen, alles met boeten bedreijgt”. (Ordonnantie van Holland rakende 't besteden ende maken der Vriezendijeken, 27 Maij, 1499).

Zooals gezegd, verkeerde de Noorderdijk in den Kerstnacht van 1638 in nood. Volgens de rapporten daarvan (in 't Groot Proces, Archief Hoorn, No. 2634 en 2635) was het dijkspand ten oosten en westen van den Fluithoek en ook aan den Gelderschen hoek zeer geramponeerd en de wierriem aan den laatsten zeewaarts gerukt. De kruin van den dijk bij den Fluithoek was ter lengte van negen roeden op anderhalven voet na doorgeslagen en met groote moeite door het aanbrengen van zeilen, balken en voor de hand zijnde materialen werd erger voorkomen. Terzelfder plaats waren ook de palen met steenkassen op onderscheiden plaatsen over een lengte van vijf en twintig roeden vernield en verdwenen. Een stelsel van steenkassen bestond uit twee rijen aaneengesloten, met gordingen verbonden palen, evenwijdig aan den dijk, waarvan de tusschenruimte tot zekere hoogte was opgevuld met rijshout gedekt met eene belasting van zware balsteenen. Zulk een verdedigingswerk werd ook wel krebbing of kisting geheeten. Het heeft er toen aan den Noorderdijk wel „gespand” om doorbraak te voorkomen, en de oproep der ingelanden bij klokklepping was geenszins overbodig geweest. Verder geeft het verslag ons weer, dat door den aanhoudenden storm langs den geheelen Noorderdijk driehonderd mannen werden aangesteld tot het houden van dijkwacht. Voldoende materialen tot herstel van de geramponeerde vakken waren niet aanwezig. Noodgedwongen om in de groote behoefte aan palen te voorzien, moest een slofter in het ijs worden gehakt, om het benoodigde hout van Broekerhaven aan te voeren; gewis een afstand van circa twee uren gaans; waartoe honderden mannen werden aangenomen. Dit een en ander geeft ons in korte trekken een somber beeld van de vele opofferingen, moeiten en groote kosten, die de lieden der Oosterkogge zich moesten getroosten om overstrooming te keeren.

Ongetwijfeld zal men de vraag stellen: waren er aan den dijk geen opslagplaatsen in den vorm van magazijnen om bij voorkomende dijksrampen de allernoodigste materialen bij de hand te hebben; daar deze laatsten volgens het vermelde rapport van elders moesten worden aangevoerd. Dit denkbeeld is eerst verwezenlijkt na den watersnood van 6 op 7 November 1675, waardoor Drechterland en de Vier Noorderkoggen onder water zijn gezet. Het initiatief tot de daad om dijksmagazijnen op te richten is genomen door het Collegie van Hoofdingelanden van Westfriesland. Het volgende verklaart ons, dat door de verstoeling der dijken van de vier groote ambachten n.l. Drechterland, de Vier Noorderkoggen, Geestmerambacht en Schager- en Niedorperkoggen belangrijke verschillen ontstonden, die aanleiding hebben gegeven tot het jarenlang gevoerde „Groot Proces”. Om den goeden gang van zaken omtrent het dijksonderhoud te bestendigen, heeft toen de Hooge Overheid geoordeeld en besloten in 't jaar 1650 tot het instellen van een bestuur, dat belast werd met het oppertoezicht over de uit te voeren werken van den geheelen Westfrieschen omringdijk; welk bestuur genoemd werd het Collegie van Hoofdingelanden van Westfriesland. De werkkring van dat Col1egie vindt men beschreven in de „Handvesten van Enkhuizen” op blz. 125.

Zooals hiervoren vermeld, is door de inleiding van het voornoemd collegie om dijksmagazijnen te bouwen op de meest bedreigde plaatsen in 't jaar 1676 een feit geworden. Aan den Noorderdijk van Drechterland werden die magazijnen opgericht; een bij de watermolens van Broekoord; een aan den Kathoek en een bij Isenburg (de plaats der vroegere eendenkooi bij 't Eerste Hof aan den Oosterdijk ten noorden Enkhuizen.)

Van het magazijn de Tent werd in de Recolutiën van Holland en Westfriesland niet gerept; doch in de oorkonden betreffende 't Groot Proces (archief Hoorn, no. 2636) vond ik 't volgende vermeld in de rekening van den ontvang der 40e penning der verkochte landen der jaren 1680-1689; „den lOen Februari 1680 heeft Dirck Pietersz. uyt de Vlaemsche tent gekoft van Volckert Jacobsz bisschip uyt de Cathoek 800 roeden saetlandt; en in 1687 Dirck Manjes op de Geusenbuert koopt van Claes Symonsz uyt de Vlaemsche tent een huys a. d. Noorderdijk.”

Daar andere gegevens omtrent de Tent mij ontbreken, wil ik in deze een veronderstelling geven. Het komt mij voor, dat door de geweldige stormen van November 1675 de Noorderdijk van Drechterland zeer heeft geleden en tot herstel van de dijksvernielingen Vlaamsche arbeidskrachten zijn gehuurd. Om die menschen onder dak te brengen is door het bestuur van Drechterland aan den Gelderschen hoek eene noodwoning of tent gebouwd; en aldus de Vlaamsche tent geheeten. Later na beëindiging der dijkwerken zijn de gehuurde krachten weer naar Vlaanderen vertrokken en is vermoedelijk de bestemming van de Tent veranderd tot bergplaats van dijksmaterialen; dus als magazijn. De toevoeging van het bijv. naamwoord „Vlaamsche” aan de Tent is eenigen tijd daarna niet meer vernomen; daar in de protocollen van Grootebroek betreffende eene overdracht van land als kooper voorkomt in 't jaar 1699: Jan Tent; d.a.v. in 1707 Jan Tentspieter en in 1712 Jan Tentsen. Zoo deze lieden in de Tent woonachtig zijn geweest kan 't niet onmogelijk wezen dat de familienaam Tentsen of Tensen (heden nog in Andijk bekend) daarvan afkomstig is.

Als magazijn komt de Tent voor in de Resolutiën van Drechterland, Deel IV (archief in 't Koggehuis te Hoorn; a.v. „Ao. 1732 dat in de vijvers bij het magazijn of ook genaamd het Gemeene Landshuis de Tent wel 300 zoo heele als afgebroken, door vernieling door den paalworm, grenen palen waren verzameld, welke palen tengevolge den storm van Kersttijd 1731 waren gebroken.” De benaming van 't Gemeene Landhuis geeft ons te bedenken, dat het Collegie van Hoofdingelanden van Westfriesland daarin medezeggenschap had. De Resolutiën van Drechterland van 't jaar 1736 zeggen ons daarvan: „dat de nieuwe kastelein een tractement zal genieten van 150 gulden per jaar, te voldoen uit de kas van Westfriesland omdat het een Westfriesch magazijn betreft; doch op kosten van Drechterland ten behoeve van het magazijn dient er opgeslagen te worden 30 ton turf en 25 pond kaarsen.” Met de beraming der dijkwerken in deze belangende het Ambacht Drechterland deed het Collegie van Hoofdingelanden van Westfriesland in bijzijn van den Dijkgraaf en ook de heeren Gecomitteerde Raden van het Noorderkwartier den jaarlijksehen rondgang langs de dijken en verwijlden of vergaderden dan in 't Gemeenhuis de Tent.

Niet onaardig is kennis te nemen van de instructie betreffende de aanstelling van den kastelein der Tent n.l. Pieter Voorbrinck d.d. 21 Juli 1761, archief van Drechterland in 't Koggehuis te Hoorn, de Memorialen no. 12-14, van 1761-1806). De voorwaarden waren a.v. „De kasteleijn bewoont alleen 't Huys, en de nieuwe kamer blijft ten allen tijde ter dispositie van heeren Dijksregenten en zal niemand anders daarvan gebruyk maken dan bij permissie van Dijkgraven of Waerschappen van Enckhuysen en Westeynde onder wiens opzicht al 't zelve is. De casteleyn is verplicht het Huys, nieuwe kamer, magazijn ca. behoorlijk zorg voor te dragen en alles in orde blijft, en alsmede al de goederen die aan Westfriesland behooren. Het magazijn zal ten dienste en gebruyk van Westfrieslands materialen zijn en geen andere daarin bergen. De materialen uytgereykt uyt het magazijn bij storm wederom ter plaetse deponeeren en bij verlies daervan rapport aen de Waerschap. De casteleyn zijnde in 's Lands dienst zoo ten tijde van storm en hooge vloeden zal een daghuur genieten gelijk een ander. Wanneer de Dijksregenten aldaer zijn, zal de Casteleyn verpiicht zijn ieder naer behooren te bedienen en eerbied bewijzen; voorts de verteringen ten allen tijde civiel en ordentelijek te stellen ente berekenen, zooals in een Gemeenlandshuys behoort. De casteleyn mag geen andere hantneringen uytoefenen en geen logies verstrekken aen derden buyten het bestuur. Laetstelijk zal hij alle jaren gehouden zijn op Sint Nicolaes rekening voor de Waerschappen daer de vergadering is, verschijnen om continuatie van zijne betrekking te verzoeken en het salaris hebben met toestemming van Hoofdingelanden van Westfriesland.”

Met deze instructie ging vergezeld een inventaris van dijksmaterialen benevens van het meublement der bestuurskamer in de Tent; waaronder meer voorkwamen een armstoel, achttien stoelen met rood leeren bekleeding, volledig beddegoed voor twee bedsteden, benevens glaswerk, waaronder ook de hensbeker niet ontbrak. Het interieur van genoemde kamer was in overeenstemming met de ambtsbediening der bestuurderen, een kenmerk van den tijdgeest. Boven „de” schouw in het vertrek was een schilderij omgeven met de wapens van Westfriesland; Drechterland; Joan de Jong van Persijn, Dijkgraaf; Pieter Straat Symon Brouwer; Jan Peerboom; Gerrit Schenck; Jan Brugh; Dirck Jakobsz Nierop; Bart Dircksz Laagland; Adriaen Warmenhuysen en Pieter Han, Hoofingelanden.
Mr. Wijnand van Nieuwstadt, Dijkgraaf; Pieter Opperdoes; Hero Baenman en Jakob Spiegelmaker, Gecommitteerde Raden.
Dirck Ossekooper; Dirck Botjager; Willem Bolk en Wouter de Jong, Waerschappen.
Seger Lakeman, Secretaris van Drechterland en Albert Koninck, Secretaris van de Ed. Mog. Gec. Raden van 't Noorderkwartier.” (Noordhollandsche Oudheden, Drechterl. blz. 125 Van Arkel en Weisman).
In den voorgevel van het vierkante gebouw de Tent prijken de wapens van Westfriesland en Drechterland.

Volgens de oorkonden komen de genoemde Bestuurderen in hunne kwaliteit voor in de eerste helft der 18e eeuw. Mede naar luid van de Resolutiën van Drechterland, genomen in 't jaar 1736, voorkomende in dit relaas, betreffende de aanstelling van „den nieuwen kastelein” is de Tent hoogstwaarschijnlijk toen verbouwd en daarin een Heeren- of Bestuurskamer opgenomen. Vanaf dien tijd tot de opheffing van het College van Hoofdingelanden van Westfriesland, 't welk bij besluit der Provinciale Staten van Noordholland van 21 Mei 1919 is geschied, heeft die Bestuurskamer aan hare bestemming voldaan. Zooals we weten is deze opheffing het gevolg geweest van het op gelijken datum opgerichte Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier.

Het beheer van Westfrieslands dijken is toen achtereenvolgens overgegaan aan het Hoogheemraadschap en mede de eigendommen overgedragen, o.m. ook de dijksmagazijnen. Deze laatsten zijn buiten dienst gesteld wegens de afsluiting der Zuiderzee. De zware beproevingen, waaraan Westfrieslands dijken voorheen waren blootgesteld, behooren ten gevolge „het Groote Werk van Hollands waterstaat” tot het verleden. Door de overdracht der magazijnen zijn deze geamoveerd en van de hand gedaan. Aan 't Genootschap Oud Westfriesland komt de eer toe, dat het historisch magazijn en de Bestuurskamer „de Tent” bewaard en intact zijn gebleven. Uit het negende jaarverslag van het Genootschap Oud Westfriesland 1933-'34 heb ik 't volgende overgenomen: „Door de bemoeiïngen van de Commissie voor Landelijk Schoon is het gelukt het Polderhuis te Andijk, genaamd „de Tent”, dat door het Hoogheemraadschap H. N. kw. buiten gebruik was gesteld, een nieuwe bestemming te geven. Het is verkocht aan de Nederlandsche Jeugd-Herberg Centrale onder voorwaarde, dat er geen veranderingen aan het Gebouw zullen worden aangebracht dan na goedkeuring van ons Genootschap. De mooie gedenksteen bij den ingang en de schouw met familiewapens in de vergaderkamer blijven dus behouden ter plaatse.”

De herinnering leeft voort, al keert de tijd niet op zijn schreden terug, en wij denken in dezen onwillekeurig terug aan de samenkomsten der Dijksregenten in de Tent tot het beramen der dijkwerken of bij tijden van nood met de dijkshoofdlieden de noodige opdrachten te geven aan „het dijkleger”. De gesprekken bij dergelijke gelegenheden gevoerd, zullen in hoofdzaak het dijksonderhoud of -herstel hebben gegolden. En thans, nu het karakter van het oude polderhuis is gewijzigd, komen de jongens der Jeugd Centrale in de vroegere Bestuurskamer bijeen en zal de toon van het gezellig samenzijn ook wel van een anderen aard zijn dan voorheen, wanneer zij elkander vertellen over de bevindingen bij hunne pleiziertochtjes opgedaan in ons mooi Westfriesland.

Bijlage.

Extracten uit de Resolutiën v. d. Gec. Raden van Westfriesland en het Noorderkwartier betreffende de magazijnen aan den Zuiderdijk van Drechterland.

„Resolutie 17 July 1676 dat mede magazijnen worden opgericht een tot Oosterleek; een bij het Hof of huys van Baens tot Wijdenes; een bij de Venhuyser watermolens en een tusschen Broekerhaven en de Keetenpoort van Enkhuysen.”

Het magazijn „het Hornhuys” aan de Langehorn beoosten Hoorn is bij besluit van 't jaar 1718 opgericht. Over dat aan den dijk bij de Weede staat in de Resolutiën van 1735 het volgende: „Accoord over 't huys „de Weed”. Wij Jan Symonsz en Pieter Spaniaert, Schepenen van Hem ende Venhuysen oirconden dat: Mary Barents, wede. van Dirck Vreeksz als met Dijckgraef ende Waerschappen is overeengekomen; dat vermits de gelegenheyd van de standplaets van haer huys genaemt „de Weed” in stormen aan de dijken zeer nootsakelijk is voor de manschappen onder dak te brengen ten eynde die doornat ende koud geworden zich 'n weynig kunnen herstellen ende zooals 't in verleden winter ondoenlijk was als genoegsaem is gebleken; zijn de Heeren bereyt het huys genoemt „de Weed” bekwaam te maken tot berging van manschap ende paerden ten hunnen costen; ende dat Mary Barents zou moeten gedoogen voor altoos, dat de Dijksregenten met de behoorende manschap in haer huys mogen overnachten ende verblijven in tijd van storm de wacht te houden ende soo veel vuur stoken als noodig is, om 't natste ende koudste volck te kunnen drogen; dat oock de gemaekte bedsteden ingeruymt moeten worden om in geval van stormen uyt te rusten; mits dat alles door Mary Barents of haer nacomelingen word verstreckt aen deselve sal worden betaelt, alles sonder yets daervan te pretendeeren, gelijck zij dan ook nu dat regt van intrek in die gelegenheyt voor de reeds gedane herstellingen van haer huys ten kosten van Westfriesland gedaen, verklaerde op ende over te dragen ten behoeve van de Westfriesche dijkagie ende 't zelve op haer huys te vesten ten eeuwigen dagen. Ter oirconde hebben wij Schepen hier onder onze segel gehangen op 20 October 1735.”

Onder stond: „Vooraf goedgevonden om 't gesyde boerenhuys „de Weed” in de Westfriesche rekening onder de furie kosten (kosten ten gevolge van zware stormschade) te brengen 400 gulden om 't selve huys, dat door de menigte manschap geruineert was (zoo staat er vermeld, P. S.) niet alleen te herstellen, maer ook 't selve tot gebruyk in tijt van noot te te kunnen gebruyken; mits het regt van vrijen intrek bij storm en dijkbewaking beneffens stalling van paerden.”

P. S.

 


Hé, is dat Westfries?

26. Jongens, niet zo klammen (ruzie maken)!
Twee klammers, twee schuld.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.