Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » WFON » 1953 » Pagina 41-52

Van een vrij en frank volk - Hoe West-Friesland leefde in de 16e eeuw

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 20e bundel, pagina 41-52.
Uitgave: Historisch Genootschap „Oud West-Friesland”, 1953.
Auteur: Rector B. Voets.

Als een schier onneembare vesting lag het gewest West-Friesland tussen het water: in het Noorden en Oosten werd het omspoeld door de Zuiderzee, in het Westen en Zuiden werd het beschermd door talrijke meren. Als een vooruitgeschoven post tot bescherming van het zelfstandig levende volk lag in het Oosten de vestingstad Enkhuizen, omringd door dikke muren, met torens, poorten en ronddelen. Gelijk een trouwe wachter beschermde de Drommedaris met zijn schietgaten en geweerlopen de nijvere poorters, die zich gevestigd hadden rondom de statige Pancraskerk. Dit godshuis had de houten kerk, die in 1423 bij een vloedgolf met talrijke huizen door de zee verzwolgen was, vervangen. Vanuit dit stadje kwam men ongemerkt in Gommerkerspel, waar meer boeren en tuinders woonden. In de loop van de 15e eeuw waren deze kerkdorpen met elkander verenigd en was "uit enkel huizen groot romen opgegroeid". Vanuit deze stad trok men het land in: daar woonden boeten en ook enkele tuinders aan een heerbaan die naar de koning-stadhouder Koningsstraat was genoemd. Ofschoon het land over het algemeen vruchtbaar was, klaagde de boerenbevolking toch over armoede. Bij de informatie van 1514 werden in alle dorpen veel armlastigen opgegeven. In Abbekerk leefde een derde gedeelte van de bevolking van giften en gaven; in Twisk, dat uit 59 gezinnen bestond, werden er 15 bedeeld. Maar ja, men is het van de boer gewend, dat hij nogal klaagt en bovendien: de samenstellers van de informatie waren questierders van de belasting en bij die mensen moet je nu eenmaal niet al te veel aan de grote klok hangen!

De hoofdstad van dit land was het vredige Hoorn. Hoewel de Westfriese steden - de meeste dorpen waren in het begin van de 14e eeuw met stadsrechten begiftigd - zeer zelfstandig waren in hun bestuur, waren zij voor algemene zaken op Hoorn aangewezen. Hier woonde ook de proost van West-Friesland. Want kerkelijk was het wel een deel van het bisdom Utrecht, maar de bisschop, die de kannuniken uit zijn stad aan zich moest verplichten, had dit gebied aan het domkapittel afgestaan. Deze corporatie had als haar vertegenwoordiger een proost naar West-Friesland gestuurd. Maar in de vijftiende eeuw, toen deze heren niet meer behoefden te resideren in hun gebied, werd de taak overgedragen aan een deken, "die noodsackelyck en deur eygen previlegie der stad nergens anders dan hier binnen moeste woonen". Of men zich altijd hieraan hield, is nog de vraag.

Buiten Enkhuizen en Hoorn had men nog als belangrijke plaatsen in dit gewest Medemblik en Schagen. Medemblik was wel het oudste plaatsje: de naam roept ons in herinnering de legendarische Friese koningen en het oude kasteel aan de ingang van het stadje getuigt van haar oude glorie. Schagen, een plaats van 997 zielen, lag aan het randgebied en had dikwijls last van overstromingen. Daar leefden dan ook de Westfriese waterbouwkundigen en in het midden van de 16e eeuw werden er allerlei plannen gemaakt voor betere bevloeiïng en bedijking. Het bleef in die tijd nog maar bij plannen: de uitvoering liet nog wel even op zich wachten!

In dit land leefde nu een volk, dat over het algemeen ijverig en vooruitstrevend was. In de handel spraken de Westfriezen een woordje mee. Hecht waren de relaties met de machtige Duitse Oostzeesteden, zoals Hamburg, Embden, Bremen en Lübeck. Reders uit Hoorn en Enkhuizen rustten verschillende schepen uit: de schepen waren bemand met mannen, die uit alle plaatsen van West-Friesland kwamen. In officiële schipperslijsten uit die tijd ontmoet men verschillenden uit Grootebroek, Venhuizen en Wijdenes. Het dorpje Schellinkhout onder de rook van Hoorn leefde bijna helemaal van de zee. De voornaamste handelsplaats was echter Enkhuizen, dat in 1535 meer schepen voor de handel uitrustte, dan het opkomende Amsterdam.

Niet alleen in de handel, ook in de visserij hadden de Westfriezen een belangrijk aandeel. Vooral de haringteelt gaf menigeen een boterham en niet voor niets noemde men deze vissen in die tijd het goud van de zee. In de maanden April, Mei en de eerste helft van Juni was het in de Westfriese kustplaatsen een drukte van belang. Dan werden de haringbuizen, die voor het merendeel sinds December waren opgelegd, bedrijfsvaardig gemaakt. Er werd gekalefaat, gebreeuwd en geteerd; de masten werden gesteld, zeiltuig, netten en tonnen werden aan boord gebracht. In de zeilmakerijen, lijnbanen en kuiperijen aan de kaden werd er hard gewerkt: het lied van de arbeid klonk alom. Vooral Enkhuizen had er zijn welvaart aan te danken: het koos dan ook vol trots als zijn stadswapen drie vergulde haringen met een kroon. Ook de Rijp, dat toen nog geheel aan het water lag, was dankbaar voor dit zeebanket en plaatste twee haringen in haar wapen. Men beweert wel eens, dat de kroon aan deze vissen is geschonken op grond van een oude fabel, die van een wedstrijd tussen de vissen verhaalt. De haring zou het gewonnen hebben en dit op deze wijze bekend gemaakt hebben: "Haring, haring spant de kroon, boven alle vissen schoon", en zo kwam zij aan haar kroon. Dit sprookje is wel aardig, maar voor de verklaring van deze stadswapens niet geschikt. Neen, deze plaatsen hebben de haring gekroond, omdat deze hun grote welvaart bracht. De dichter Constantijn Huygens wees ook op de belangrijkheid van deze teelt: in zijn verheerlijking van Hoorn wees hij op de haringvangst van de vissers uit de Westfriese hoofdstad met deze woorden: "Heb ick van allen eerst 't groot haringhnet gebreidt, van allen eerst gesp reit, van allen eerst verbeidt".

Ook werd het handwerk in West-Friesland vol ijver beoefend. In Hoorn was onder leiding van de gilden, de vakverenigingen, die in de zestiende eeuw een belangrijke rol in het economische leven speelden, een winstgevende lakenindustrie ontstaan. Heel voorzichtig spraken zij over dit werk: zij noemden dit tegenover de belastingambtenaren van 1514 "cleyne drapararye van zwarte en raode laikenen". Op het platteland was het hoofdmiddel van bestaan de veeteelt. Tuinderijen, hoewel heel anders dan nu, waren er nog niet veel. Van de meeste dorpen leest men dat de meesten zich "generen met coyen (= koeien) te houwen". Deze teelt was niet altijd winstgevend. Vooral in het begin van de 16e eeuw klaagde men over de slechte tijd voor de boeren: "vroeger," zo vertelden verschillende boeren, "was onse neringe driewerf beter dan nu". Dat kwam vooral door de "dieren tyt, oorloghen en schattingen en bovendien syn mette natte jaeren veele coyen gestorven". Och ja, de veeteelt is altijd een beetje riskant: dat gaat altijd wel enigszins op en neer, maar zo somber als sommige boeren het afschilderden, was het toch niet.

Ofschoon het volk in het economische leven in de voorste gelederen stond, was dit niet het geval in het onderwijs. De scholen, die in die dagen het meest vanuit de kloosters werden geredigeerd, waren maar klein en West-Friesland telde er heel weinig. Van persoonlijk onderwijs, dat veelal door priesters aan toekomstige klerken werd gegeven, hoorde men ook heel weinig. De clerus was vooral in de zestiende eeuw over het algemeen niet goed thuis in de letteren. Men vertelde, dat de pastoor van Zwaag meer wist van boerenzaken dan van Latijn. Hij kende nauwelijks enkele zinnetjes, maar op de veemarkt in Hoorn was hij te vinden en hij had daar het hoogste woord! Het is dan ook te begrijpen, dat bij de mensen de kennis zeer gering was. Wat zij van de godsdienst wisten, haalden zij uit de bekende printenbijbels, waarvan er hier en daar op de Westfriese boerderijen een gevonden werd. Ook leerde men veel uit de rijke beschilderingen van de kerken. De heren kerkmeesters van de St. Pancras hadden in 1484 in de houten kap een hele reeks voorstellingen uit het oude en nieuwe testament laten aanbrengen: een echte Biblia pauperum. Toch werd er in de grootste kerken nogal wat werk gemaakt van de prediking. Men had daar aparte priesters voor: de gewone zielzorgers, die dikwijls niet meer konden dan wat lezen en schrijven en wat Latijn, konden dat immers niet. Een van de meest bekende uit die dagen was de Enkhuizer predikant Willem Faber Zegers (1554-1558), die geparenteerd was aan de vermaarde familie Potter. In zijn predikaties, die in handschrift in de bibliotheek van de Enkhuizer Westerkerk bewaard zijn gebleven, beklaagde hij zich over de onkunde van het Westfriese volk. Op de vigiliedag voor Kerstmis riep hij uit: "Laten wij thans opstaan uit onze geestelijke verdoving en uit onze onkunde. Want zie, ons heil is thans dichter bij dan toen wij begonnen te geloven". En hoe was dit mogelijk? Men dacht over het algemeen alleen aan zijn werk: voor studie had men geen tijd. Willem Faber Zegers sloeg dan ook de spijker op de kop, toen hij de Westfriezen verweet, dat ze al te veel aan dit tijdelijke dachten. "Onkunde kan men aldus omschrijven," zo zeide hij in een predikatie op de 2e Paasdag in Hoorn, "dat men alleen maar aan het tijdelijke denkt. En wij zijn er in deze tijd juist op uit om op die manier dwaas en onverstandig te zijn."

Door dit gebrek aan goede vorming was de bevolking over het algemeen ruwen onbeheerst. Men hoorde dan ook verschillende klachten over baldadigheden in kerken en kerkhoven en verschillende plaatsen zagen zich dan ook genoodzaakt om scherpe maatregelen tegen deze ruwheden in hun keurboeken af te kondigen. Het dorp Burghorn wees in zijn wetboek van 1505 speciaal op het gebrek aan eerbied voor heilige plaatsen. De volksondeugd van dobbelen en gokken was tot het heiligdom des Heren doorgedrongen. "Item soo en moet niemandt, wie hy sy," zo lezen wij in het keurboek, "in den kercke ofte op den kerckhoff in Borchorn dobbele, caetsen ofte anders boeveryen bedryven." In de stede Westwoud, waar de bevolking over het algemeen zeer luidruchtig was en gemakkelijk tot baldadigheden overging, wanneer ze een biertje hadden gedronken in de herberg, werd plechtig afgekondigd: "Voort moet nyemant, wie hy sy, op enighe kerckhoven smyten, slaen, noch an den kerckglas goyen oft eenich rebbelicheyt bedryven". In de kruiskamer van de Zuiderkerk van Enkhuizen kan men heden ten dage nog een geschreven verordening vinden van 16 Januari 1594, een trouwe copie van een reglement voor kerkorde, afgekondigd in het begin van de 16e eeuw. Men leest daarin onder meer het volgende: "Dat van nu voortan nyemandt tsy jonk ofte oudt hem sal vervorderen in de kercken deser stede te lopen, rasen, stoeyen, getier ofte onbehoorlycke geluyt te maken ofte eenige andere insolentie te bedriven, op poene vant opperste cleet van den gebrekende oft thien stuyvers daervore".

Deze fouten zijn in het kader van die tijd heel begrijpelijk. De kerk was immers in die tijd practisch het enige officiële gebouw. Daar hadden de afkondigingen plaats, die de schout en de schepenen moesten doen; daar werden de doden begraven; daar kwamen de kinderen om te spelen. Maar in de meeste plaatsen ging men te ver. Men wist geen maat te houden, omdat men ruw en onbeheerst was. In de stad Hoorn, waar men tot dan toe altijd de orde tamelijk goed had kunnen handhaven, moest men in 1528 ook waarschuwen tegen deze verkeerde uitspattingen. Wij lezen daarvan in het keurboek: "Ordonneren voorts wel scarperlicken, dat nyemant hem en vervordere eenige insolentie te maecken in die kercken, int gaen ende wandelen onder die preken, homisse, vesper, lofftyde en dienste Godts, ofte eenige insolentie te maeken mit scellen ofte diergelycken rabauwerien".

Beter kan men de ruwheid van de bevolking lezen uit de strafwetbepalingen van verschillende steden. Het strafstelsel was over het algemeen zeer eenvoudig: men kent niets anders dan doodstraf en geldboeten, maar uit de, opgesomde misdrijven kan men opmaken, tegen welke feiten de schout het meest moest optreden. Opmerkelijk is het dat in de handvesten van Hoogwoud nogal veel gesproken wordt over doodslag. Ook moest men dikwijls waarschuwen tegen lichamelijke verwondingen. Een van de oorzaken was wel de drank en daarom moest men allerlei maatregelen nemen om het tappen binnen goede banen te leiden. Maar het ging niet altijd. Had men b.v. voor de algemene rust niet voorgeschreven om binnen een bepaalde straal van een kerkgebouw geen herberg te houden? En wat voor tapperijen vond men desondanks in de onmiddellijke nabijheid van de Westerkerk van Enkhuizen? Vooral in de dagen van de kermis, een groot volksfeest in de Westfriese steden en dorpen, leefde men onder hoogspanning. Speciaal dan moest men er op letten, dat men geen lange messen droeg. Met het oog daarop had de stad Hoorn in haar oude keurboek deze verordening opgenomen, die altijd van kracht bleef: "Item niement moet voirtan langer mes ofte breder dragen, dan die messen syn, die men zien mach hangen voir an der kerckedeure ende voir an dat raithuys". Wanneer men op een kermisdag woorden had gekregen en tot handtastelijkheden was overgegaan, dan was de bevolking over het algemeen solidair en bracht niemand aan. Hen kon over een paar weken hetzelfde overkomen. Het was dan onbegonnen werk van de schout om tegen deze kermisuitspattingen te strijden. Met de keur van Schellinkhout, die aldus luidde: "Item so waer dat yemant op kermisse gequetst worde binnen onse stede van Scellinckhout of mit een can geworpen wort of een vuystslach gegeven wort of een mes treckt, die sal dat anbrengen", lachte iedereen.

Een ander gevolg van het gebrek aan parate kennis, waarover hierboven is gesproken, was het bijgeloof. In West-Friesland waren enkele gebruiken ingeburgerd, die in zich niets met het geloof te maken hadden. Men verfde de onderkant van de boerderijen blauw, om de boze geesten te weren en alhoewel de beter bestudeerde priesters steeds weer opnieuw de bevolking verhaalden, dat deze kleur niets met de duivel of zijn helletrawanten had uit te staan, men bleef er ondanks alles hardnekkig aan vasthouden. Voornamelijk speelden bijgelovige gebruiken bij dood en begrafenis een zeer belangrijke rol. Men plaatste, zoals het nu nog het geval is, een zwart kruis voor de deur: het offer was gebracht en men wilde door deze daad een soort vrijstelling. Geheel het dorp leefde met zo'n sterfgeval mee en men had het druk met eten te geven en bier te schenken. Zulke begrafenismalen ontaardden dan wel eens in drinkgelagen en enkele steden maakten verordeningen om excessen tegen te gaan. Zo leest men in het keur boek van Grootebroek: "Oeck so moet daer niemant tot doodehuisen ghaen eeten off hy sal wesen susterling off naerder ende die naeste buieren". Op het platteland had men ook nog de gewoonte om het lijk driemaal rond de kerk te dragen, voordat men het ten ruste legde. Na de reformatie bleef dat gebruik gehandhaafd, ja, werd met meer intensiteit uitgevoerd, omdat men de Boze wilde verdrijven. De predikant Witsius uit Westwoud tekende dit in het kerkboek aan en schamperde over het bijgeloof "door hem met ongedeckten hoofde rondzom de kercken te draghen", maar evenals de priesters uit de 16e eeuw streed hij tevergeefs tegen deze vorm van bijgeloof. Om de mensen aan de dood te herinneren, liet men de graven soms open liggen een Zondag lang. De stad Hoorn kondigde op verzoek van de deken deze verordening af: "Item men sal gheen doode lichaam binnen die parochiekercke onder die sondaghmisse boven aerde laten staen; dan sal men dieselve lichamen van stonden an doen begraven ter plaetsen aldaer tgraf ghemaect is". De sterfdag was een belangrijke datum voor de familieleden: een maand na de dood en bij het jaargetijde kwamen allen nog eens bij elkaar en daar de wonden, die dit afsterven hadden teweeggebracht, weer geheeld waren, werd er dan volop gedanst en gezongen. Het oude wetboek van Hoorn stelde vast "dat men over geene dooden, out of jonge, in uytvaerden, maentstonden ende jarichtyden den vrouwen of kynderen sal scencken eenige wyn of coeck". Ook bij andere familiefeesten - ik denk aan het trouwen met het witte laken, waaronder het bruidspaar door moest om de voordeur te bereiken - en bij bijzondere gebeurtenissen - denk aan het bekende "lestje versjouw", het oogstfeest van het Westfriese land - speelden bijgelovige gebruiken een rol, maar het zou te ver voeren om daar op in te gaan. De Westfries was gelovig, maar omdat zijn kennis geen diepgang had, was het aan de oppervlakte blijven hangen.

Duidelijker kwam het naar voren in zijn verlangen naar het wonderdadige. Van heinde en verre kwam men naar het wonderkruis van Enkhuizen kijken, dat toch een twijfelachtige afkomst had. De geschiedschrijver Brandt vertelt daarover het volgende: "In 't jaer 1515 was er in de Pancras ofte Suiderkercke een kruis van hout, soo als het, gelijk men seide, in Noorwegen aen sekeren hollen boom was gewassen en vandaer tot Enkhuizen gebracht: Sekre maegdt, die op den Paesdag nae 't gebruyck der Roomsche kercke ter Sacrament hadt geweest, soude aen desen boom hebben overgegeven ofte gebraeckt en sedert dat kruys syn gegroet. Daerdoor soude verscheide wonderlyke genesinge syn geschiedt". Telkenjare werd er in de maand Augustus een grote processie gehouden en de stad was dan op zijn Zondags. Langs de hoofdstraat stonden allerlei kraampjes, want de Westfriezen waren kooplustig en vooral heiligenbeeldjes waren erg in trek. Hoorn was ook een bedevaartsplaats. Daar vereerde men in de Noorderkerk de Nood Gods, die, zoals Velius verhaalt, op wonderbare wijze naar de Westfriese hoofdstad was gekomen. Ofschoon we heel weinig schriftelijke getuigenissen over de vroegste verering van O.L. Vrouw van Hoorn kunnen terugvinden, mogen we gerust met de geschiedschrijver P. Noordeloos de veronderstelling uitspreken, dat vele Westfriezen naar dit wonderbeeld kwamen, om hun moeilijkheden aan de H. Maagd voor te leggen. Ook kende men nog de wonderdadige O.L. Vrouw van Mijzen in het kerkdorp Ursem, maar helaas zijn er geen gegevens bewaard gebleven over de plaats, die deze Lieve Vrouwe in de harten van de Westfriese bevolking heeft ingenomen.

Een typische karaktertrek van het wakkere volk was vooral de vrijheidszin. Dit was in zekere zin gegroeid: het langst immers hadden de Westfriezen weerstand geboden aan de Hollandse graven, die dit rijke land aan hun gebied wilden toevoegen: het eerst hadden de Westfriese plaatsen door stadsrechten een tamelijk vrije positie verworven. En daarom kon men hen niet gemakkelijk binden: telkens weer stootte men op de harde koppen van de stoere bevolking, die geen enkel recht wilde prijsgeven. Is het dan ook te verwonderen, dat de oppositie tegen maatregelen van kerkelijke overheden in dit gebied het sterkste was? Als er een pastoor werd aangesteld, die niet in de geest viel bij het volk, weigerde men zonder meer de gehoorzaamheid en men maakte het hem onmogelijk om zijn bediening uit te oefenen. Toen in 1568, na de dood van Hendrik Jansen, pastoor van Hensbroek, een zekere Heynderick Janssen Goud uit Spierdijk tot opvolger werd benoemd, kwam de gehele parochie in verzet. Zij hadden het een en het ander over deze priester gehoord en achtten hem niet geschikt voor de taak, waarvoor hij was aangewezen. De altarist Speck, die de voorvallen van het dorp heeft vastgelegd in een nauwkeurige kroniek, vertelt over dit geval het volgende: "Sy (de parochianen van Hensbroeck) hebben onder de dienste Goods ende onder het sermoen sulck een rumoer in ende om die kerck gehadt, dat men grouwelen mach als men der om denckt. Sy sloeghen aen de kerck, daer hy stont ende preeckte twoort Gods of men der met bossen aengeschoten ende belden hem oick nae ende die burgemeester, een onverstendelyck verken, ging bycans vooraen". Deze priester kon zich dan ook niet handhaven. Met wrevel dacht de eerste vaste Amsterdamse predikant Nicolaas Scheltius terug aan zijn Westfriese arbeidsveld. Hij was pastoor geweest te St. Maarten, maar had zich niet gestoord aan de kerkelijke voorschriften en was openlijk getrouwd. Dit konden de mensen niet hebben: hij had zijn rol uitgespeeld en kreeg van geen enkele kant meer steun. Het was voor hem een verlichting, toen een Amsterdamse commissie van nieuwgezinden hem uitnodigde om in 1568 het predikambt in de gezuiverde Olofskapel te aanvaarden. In dit opzicht kenden de Westfriezen geen aanzien des persoons. Rond 1530 waren er moeilijkheden over de geestelijke verzorging van Nieuwe Niedorp ontstaan. De pastoor had de hoogste waardigheid in West-Friesland verkregen: hij was deken geworden en had zijn intrek in het proosthuis op de Rode Steen te Hoorn genomen. Voor zijn werk in Nieuwe Niedorp had hij een plaatsvervanger aangesteld, maar de bevolking was daar niet mee tevreden. "Wij willen een echte pastoor," zo hadden zij gezegd, "en een die ons lijkt." En om de kerkelijke overheid te dwingen, weigerden zij om de gewone kerkelijke belastingen te betalen. De deken wilde daar het zijne van hebben en maakte het plan om zelf alles te onderzoeken. Mij dunkt: tegenover zulk een hooggeplaatst persoon durfde men niets te ondernemen! Maar de pastoor van Winkel, Gerrit Jansen, die over het plan iets gehoord had, schreef haastig een briefje naar Hoorn met de mededeling, dat "einge bueren meester Pieter Ruych mit syn familie (hier bedoeld zijn gevolg van priesters, die een voorname post bekleden aan het dekenaat) gedreicht heoben van de wal in de sloot te stooten". Maar Pieter Ruych wilde niet opgeven, hij vocht door maar stiet steeds op die ondoordringbare muur: de eis om vrij zijn mening te uiten over het bestuur van de kerk.

Niet alleen op kerkelijk terrein, maar ook in het burgerlijk leven eisten de Westfriezen hun vrijheid op. Ze moesten bestuurd worden door schout en schepenen: welnu, deze mannen moesten de representanten zijn van het volk en bij de keuze van deze machthebbers mocht geen enkele instantie ook maar enige invloed uitoefenen. Ieder jaar werden deze machthebbers gekozen en om de bevolking een inzicht te geven in de bestuurszaken, moesten de vorige regenten bij die gelegenheid in het openbaar rekening en verantwoording afleggen. En als we de oude kronieken geloven mogen, dan kwamen daar velen op af. Over deze democratische en ook vrije bestuursvorm leest men onder anderen in het keurboek van Sijbekarspel het volgende: "Item soe sullen die kerckvoechden die kerckescoud ende den armenkinderscoud inwinnen ende de burghermeesteren ende de schepenen sullen ooek veel inwinnen ende dairvan uytrekeninghe doen van innemen ende uytgheven binnen een maent nae den Guede Vridach" (dit was de dag waarop de nieuwe bestuurders van dorp en kerk werden gekozen). Het is dan ook niet te verwonderen, dat vooral in West-Friesland vele tegenstanders van het bestuur van Philips II werden gevonden. Het was te autoritair en de vrijheid werd te veel aan banden gelegd. En wat Fruin getuigt voor Nederland: "Niet om deze of gene handeling van de regering is het volk in opstand gekomen, niet om de geloofsvervolging, zelfs niet om tienden penning. Maar het gevoelde, dat een antinationale regering het een andere weg opdreef dan het altijd had bewandeld", is zeer waar voor West-Friesland. In zijn overzicht over de ontwikkeling van de hervorming in dit gewest wijst de Westwoudse medicus en geschiedschrijver Dr. Nuyens steeds maar weer op het verlangen naar vrijheid, dat West-Friesland in de nieuwe richting heeft gedreven.

Zo leefde het Westfriese volk in de 16e eeuw. Op het terrein van de economie gaf het in zekere zin de toon aan, hoewel ook het gewest leed onder de ernstige crisis, die de zeventien provinciën geeselden. Op cultureel terrein presteerde het weinig. Toch moet men zich hoeden voor overdrijving en aan de hand van bovenstaande karakterschets niet gaan denken, dat men helemaal voor godsdienst en studie geen belangstelling had. Maar het waren maar enkelen! In de archieven van Hoorn worden stukken bewaard over de oprichting van Nieuwlicht bij Blokker, een klooster van de broeders van Windesheim, met de kennelijke bedoeling gesticht om geestelijke verdieping onder het volk te brengen. Uit de schepenbrief van 1385 leest men dat de eerste priesters Ghisebrecht Douwe, Jan van den Gronde, Pauwel Albertsz. en Jan Volmersz. met dankbaarheid gewag maken van het werk van vele leken uit Hoorn en Blokker voor de stichting van dit klooster, dat als onderwijsinstituut is bedoeld. Maar uit deze brief kan men reeds de klacht horen, dat het er maar weinigen zijn. Er waren ook in die dagen Westfriezen, die een naam hadden verworven in de wetenschappelijke wereld, maar het waren er o zo weinig. De meest bekende is wel de theoloog Ruard Tapper uit Enkhuizen, die om zijn diepe kennis en helder inzicht aangesteld werd tot inquisiteur, een zeer verantwoordelijke positie in die dagen. En zo kan men, zich hoedend voor overdrijving, zeggen dat men in die tijd op cultureel gebied geen verwachtingen van West-Friesland mocht koesteren. Het volk was ijverig en beminde zijn vrijheid. Vasthoudend aan eigenaardige gebruiken keek het vrij en frank de toekomst in en nam op die wijze een eigen plaats in in de Nederlandse volksgemeenschap.

Zoals het volk in de 16e eeuw leefde, zo leeft het in zekere zin nu nog. Wij, die dikwijls zoeken in het verleden naar een verklaring van het heden, vinden in de oude Westfries karaktertrekken, waarop ook de nieuwe Westfries trots gaat. En al is in de laatste vijftig jaren veel van de oorspronkelijke Westfriese geest verloren gegaan, nu men uit zijn isolement is gekomen, toch kan ik ook in de hedendaagse mens nog veel van de vroegere gesteltenissen terugvinden en ondanks de gebreken die er aan vast zitten, doet het mij goed, want het oude was in het vuur beproefd!

Rector B. Voets, Amsterdam.

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.