Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Bibliotheek » WFON » 1968 » Pagina 37-38

Pionieren in de Wieringermeer (2/5)

Er waren ook Wieringers onder, die hun brood verdiend hadden met vissen of wiermaaien. Ze hadden geen vertrouwen in de onderneming en verwachtten dat de produkten die hier zouden groeien niets waard zouden zijn. Ze voelden zich de dupe, verwachtten dat hun eiland zou verarmen en vonden dit grondwerk een dood leven.
Op grond van mijn ervaring, opgedaan in de Zijpe en Breezand om verstuiving van zandgronden te voorkomen, had ik geadviseerd rogge te zaaien, wat in oktober 1930 al gebeurde. Enkele maanden later werd ik benoemd tot karteerder tegen een loon van ƒ 30.- per week.
Eens ging ik vanuit Kolhorn de polder verkennen en zag electriciens bezig langs het grote kanaal. Met behulp van klimschaatsen klommen ze in de palen met een zware koperen draad op hun schouders om deze boven aan een isolatiepot te bevestigen. Een van de mannen kwam met paal en al naar beneden doordat de slappe grond onvoldoende weerstand bood. Er is veel geduld opgebracht om dergelijk werk onder moeilijke omstandigheden te volbrengen en bij alle tegenspoed bleef het optimisme bestaan. Als het niet kon zoals het moest, moest het maar zoals het kon. Ieder die in de polder werkte was vervuld van de gedachte: 'Hier is mijn toekomst'.
Een andermaal, toen ik de polder was ingegaan om watermonsters te nemen ter bepaling van het zoutgehalte, had het gesneeuwd. De Wieringermeer was één grote, witte vlakte. Ik was helemaal alleen want de grondwerkers hadden vorstverlet en ik was twee uur van huis. Opeens zakte ik tot mijn middel in de modder en door mijn pogingen eruit te komen zakte ik steeds verder weg, totdat ik op het idee kwam te gaan rollen. Zo bereikte ik weer vaste bodem en liep naar huis, stinkende van de modder.
Behalve het karteren en watermonsters nemen, kreeg ik met mijn beide collega's de opdracht grondmonsters te nemen in de greppelkanten en te noteren welke grondsoorten daar werden aangetroffen. Dit was het begin van de gekleurde grondsoortenkaart van de Wieringermeerpolder.

In het najaar van 1930 werd mij door de directie, midden op de Schelpenbolweg, opgedragen de met rogge begroeide percelen te beoordelen op voldoende en gezonde stand van bet gewas. Ir. Messu maakte toen de opmerking dat dit eigenlijk de installatie van de eerste bedrijfsboer betekende. Ik kreeg de opdracht te zorgen voor de bemesting van de 125 ha die werden goedgekeurd. De kunstmest zou worden opgeslagen in een open kapschuur. Ik kreeg mensen en vervoermiddelen, alsmede rupstractoren die geschikt waren voor de slappe grond. Men vertrouwde me de hele organisatie toe en dit vertrouwen was voor mij een grote openbaring. De woorden van ir. Minderhoud: 'Je doen maar' heb ik nooit vergeten, maar ook nooit misbruikt.

De nieuwe polder: nog één kale vlakte
De nieuwe polder: nog één kale vlakte

Als beëdigd monsternemer voor laboratoriumonderzoek moest ik mijn monsters voor de verzending met een lakstempel verzegelen. Ik had wel lak, maar geen zegel. Daarvoor gebruikte ik het deksel van mijn tabaksdoos, merk Douwe Egberts, met de letters D.E. Toen men mij later vroeg naar de betekenis van die letters heb ik geantwoord: Staatsboerderij De Eerste, en zo is die naam ontstaan. De in de schuur gemengde kunstmest werd op wipkarren gestort en deze werden aan de rupstractoren gekoppeld, die waren voorzien van houten blokken van 70 cm breed. Op de kar zat een man gehurkt, die met behulp van een schop de kunstmest uitzaaide. Op deze wijze was het mogelijk grote velden goed en vlug te bezaaien. Ingenieurs, opzichters en arbeiders waren ten dele op Wieringen gehuisvest, vooral toen men bezig was met het leggen van de dijken en het bouwen van de gemalen. Er was vrijwel geen contact tussen hen en de bevolking van Wieringen, want de vreemdelingen werden niet zo maar aanvaard. Ze brachten echter een grotere omzet van de middenstandsbedrijven en bevorderden daardoor de welvaart, waardoor een zekere genegenheid groeide.
In de loop van 1931 kwamen veel arbeidskrachten vrij van het inmiddels gereedgekomen sluizencomplex in de Afsluitdijk bij Den Oever.

 


Hé, is dat Westfries?

33. Ik ben op de zuikerstikken geweest (kraamvisite). Wat had m'n zus 'n pittig kloin purkie ('n lief klein kindje) in de wieg. Toen de buurmeisjes twee jaar geleden bij haar waren op de bruidstranen (in de bruidsdagen 'n glaasje kwamen drinken ten afscheid), was ze al gelukkig, maar 't haalt niet bij 't geluk van nu.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.