Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » WFON » 1972 » Pagina 125-129

Te gast bij ons Genootschap

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud & Nieuw, 39e bundel, pagina 125-129.
Uitgave: Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland', 1972.
Auteur: Jhr. M. J. van Lennep.

Jhr. M. J. van Lennep

Het Fries Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde

Met een schuin oog naar de 18e eeuwse wetenschappelijke gezelschappen in Holland, Zeeland en Utrecht en met de, in 1823 te Bolsward gehouden herdenkingsplechtigheden voor de nog een goede eeuw oudere Friese dichter Gysbert Japicx als stimulans achter de rug, belegden de Harlinger koopman Freerk Dirks Fontein, de Sneker rechter mr. Franciscus Binkes en diens uit Holland overgekomen stadgenoot dr. Hendrik Amersfoordt, rector gymnasii, op 28 augustus 1827 te Leeuwarden een bespreking met gelijkgezinden, een maand later (26 september) gevolgd door de oprichtingsvergadering te Sneek van wat tot 1844 het Provinciaal Friesch Genootschap ter beoefening van Friesche geschied-, oudheid- en taalkunde zou heten.
Er waren werkende, gewone, buitengewone en honoraire leden. De werkende, waartoe de bestuursleden behoorden, moesten in Friesland wonen en werden door de buitengewone en honoraire leden uit de gewone gekozen; buitengewone, die zich in de provincie vestigden, werden tot de werkende gerekend, waarvan er doorgaans circa dertig tegelijk waren, die zich tot vier afdelingen formeerden. De eerste dezer secties moest de Friese staats- en letterkundige geschiedenis en de staatsinrichting bestuderen en de bewerking van oude handschriften verzorgen, de tweede had Friese oudheden te verzamelen en te beschrijven en inheemse beoefenaars van beeldende kunsten aan te sporen, de derde zou zich verdiepen in geologie en -grafie, landbouw, nijverheid en industrie en de laatste kreeg de Friese grammatica toegewezen, het uitgeven met aantekeningen van verspreide stukken in het Fries en het voeren van actie voor de Friese taal.
Het Genootschap vergaderde destijds drie maal 's jaars. Na het huishoudelijke gedeelte werd een 'inleiding gehouden, soms nog gevolgd door een korte bijdrage van één der leden. De onderwerpen waren meest historisch van aard.
Veel nadruk werd steeds gelegd op het publiceren: zes deeltjes verschenen van een in het Fries gesteld Jierboeckje, dat echter strandde op het gebrek aan kennis der taal bij de stedelingen. Sinds 1837 verschijnt De Vrije Fries, tot de tweede wereldoorlog geheel in het Hollands. Tezelfder tijd begon ook de reeks Werken met uitgaven van historisch belangrijke mémoires uit de 16e eeuw. Daarnaast maakte men een aanvang met het verzamelen; in 1832 was er al een begin van een bibliotheek, de basis voor het penningkabinet werd in 1833 gelegd. Het beheer hiervan was in handen van de penningmeester, maar toen de bekwame numismaat mr. J. Dirks als zodanig in 1849 aftrad, bleef de zorg voor de collectie hem tot zijn dood in 1892 opgedragen.
Toen omstreeks 1840 met het afgraven van terpen werd begonnen (om de vruchtbare aarde te verkopen) ging men aandacht geven aan de terpvondsten, waarvoor in 1846 een kast met schuifdeuren werd aangeschaft en een commissie ad hoc ingesteld. Al in 1853 werd over de hoge prijzen geklaagd, die voor de oudheden werden gevraagd.
In dezelfde tijd kreeg de provincie de beschikking over de verzamelingen van dr. J. H. Halbertsma, waaronder veel Hindeloper e.a. antiek, zilver, etc. De besturen gingen samenwerken en in het nieuwe Paleis van Justitie werden twee lokaliteiten op de bovenverdieping voor de gezamenlijke bezittingen ingericht. Nadat één der ruimten voor het groeiende justitiële bedrijf was teruggevorderd en het andere te klein bleek, verhuisde men in 1871 naar de Provinciale Griffie.
Tot de activiteiten behoorden voorts het houden van enquêtes, zoals de direct van het Genootschap uitgegane bij de dorpsschoolmeesters naar plaatselijke bijzonderheden en die, welke het provinciaal bestuur op verzoek in 1844 hield bij de gemeentebesturen over monumenten. Dat de Martinikerk te Franeker en de Waterpoort te Sneek behouden zijn, danken wij aan de bemoeienissen van het toenmalige Genootschapsbestuur , dat er ook zorg voor droeg, dat de bibliotheek van de opgeheven Franeker Academie binnen de provincie bleef.

Het vijftigjarig bestaan van het Genootschap werd in 1877 gevierd met een op initiatief van C. H. F. A. Corbelijn Battaerd gehouden Historische Tentoonstelling. Koning Willem III stelde er zijn paleis (de latere ambtswoning van de Commissaris des Konings, thans in verbouwing tot dépendance van het raadhuis) voor beschikbaar. Er waren 1490 inzenders voor de op de jubileumdag 26 september 1877 geopende tentoonstelling, die een batig slot opleverde van ƒ 17.100,-. Dit bedrag werd besteed aan de aankoop van het herenhuis Koningsstraat 1, dat tot blijvend museum werd ingericht. Het nieuwe museum werd op 12 april 1881 geopend en bevatte behalve het eigen bezit ook het provinciale Antiquarisch Kabinet van Friesland. Sedert die tijd subsidieerde de provincie de museale activiteiten van het Genootschap. De aanvangsbijdrage van ƒ 500,- jaars was in 1969 (samen met die van rijk en gemeenten) opgelopen tot bijna ƒ 261.000,-.
Het pand bleek al spoedig te klein; in 1892 kwam er een uitbouw aan de Turfmarkt, tegenover de Kanselarij. Hierin werd onder meer een schilderijenzaal ingericht. Korte tijd later werd het oude pand uitgebreid met een porseleinzaal voor de inmiddels verworven collectie Ypeij, in 1906 volgde een aparte ruimte voor de verzamelingen van de kunstschilder Bisschop en in 1925 werd op het oorspronkelijke museum een verdieping geplaatst.
Het Fries Museum heeft door de grote nadruk die het kreeg en het vele geld dat het vergde, het karakter van het Genootschap sedert 1877 sterk gewijzigd. Van de activiteit der leden (die overigens nog steeds na uitnodiging door het bestuur in de ledenvergadering werden benoemd) werd minder verwacht; sinds 1886 werd slechts één algemene ledenvergadering 's jaars gehouden, bijzondere aanleidingen daargelaten. Het getal der winteravondbijeenkomsten verminderde van vijf tot drie en als sprekers traden steeds meer buitenstaanders op.
Het publiceren ging door, maar met grotere intervallen. De Vrije Fries werd in 1929 (dl. XXIX) een jaarboek, dat in de periode 1937-1968 iedere twee of zelfs (drie maal) drie jaar verscheen. In plaats van zelf de werken uit te geven, beperkte het bestuur er zich in de eerste helft dezer eeuw ook vaak toe om subsidies toe te kennen, zoals bij de drie delen Oudfriesche Oorkonden van P. Sipma (1927-1941).
Van de eigen werken uit deze tijd noem ik de beide drukken van P. C. J. A. Boeles' Friesland tot de elfde eeuw (1927 en 1951), het Repertorium Friesland's Verleden van J. J. Kalma (1955) en het door Th. J. Meijer bewerkte Album Studiosorum Academiae Franekerensis (1963), waarvan thans een tweede deel (het album promotorum) ter perse is. In samenwerking met de Fryske Akademy verschenen sinds 1950 vijf delen in de reeks Grafschriften tussen Flie en Lauwers.

Deze Fryske Akademy, in 1938 opgericht, vervult tegenwoordig min of meer de rol, die het Genootschap voor 1877 had, met in z.g. 'wurkforbânnen' werkzame leden en donateurs. Met haar, de in 1942 opgerichte Federatie van Friese Musea en Oudheidkamers en de Fryske Kultuerried, die van 1947 dateert, heeft het Genootschap doorgaans goede relaties onderhouden. Sinds 1955 is De Vrije Fries een uitgave van Genootschap en Akademy samen. Sinds 1926 deed het Genootschap actief mede aan de voorbereiding van de Grootfriese congressen, sinds 1948 aan die der door de Koninklijke Academie georganiseerde Academiedagen.
Het honderdjarig bestaan van het Genootschap werd in 1927 gevierd met een zilvertentoonstelling en een autotocht, die zo'n succes werd, dat er een - slechts door de oorlogsjaren onderbroken - traditie uit voortkwam. Sinds 1955 worden om het andere jaar zelfs meerdaagse excursies gehouden naar het buitenland.
Na de oorlog ging de uitbouw van het museum gestaag door. Nadat tevoren reeds Stania state te Oenkerk tot landbouwmuseum was ingericht, een eerste uithof, die in 1956 geliquideerd moest worden, kreeg het Genootschap in 1947 de beschikking over het gerestaureerde Romaanse kerkje van Janum, ten noordoosten van Dockum. Hier werd een verzameling middeleeuwse graf- en altaarstenen, beeldhouwwerken e.d. ondergebracht. In 1962 kon ook Fogelsanghstate te Veenklooster met enkele schilderijen- en meubilairzalen worden ingericht.

Aan het Fries Museum in sinds 1959 een archeoloog en sinds 1965 een educatieve dienst verbonden. Van het complete zilverbezit verscheen in 1968 een rijk geïllustreerde catalogus, die als handboek van het Fries zilver kan gelden. In 1969 werd het museum weder verbouwd en uitgebreid. In afwachting van de gelegenheid om de er tegenover gelegen Kanselerij bij het museumcomplex te kunnen trekken, werd de hoofdingang naar de gemoderniseerde Turfmarktgevel overgebracht.
Daarentegen werden de omvangrijke bibliotheek, zowel de boeken als de handschriften, alsmede de archieven afgestoten. De beide laatste collecties werden in gemeen overleg verdeeld tussen Rijksarchief, Provinciale Bibliotheek en Gemeentearchief. Na een tienjarige voorbereiding kreeg de Prov. Bibliotheek in 1965 de eerste keus uit de boeken; de Leeuwarder Stedelijke Bibliotheek, het Rijksarchief en enkele andere instellingen kozen uit het restant en wat toen nog overbleef ging ter veiling naar Utrecht. Verkocht werd echter slechts een gering gedeelte: het bericht, dat de Genootschapsbibliotheek de provincie verlaten zou, verwekte zo'n opschudding, dat het bestuur het beter achtte, het nog onverkochte terug te laten komen. De Prov. Bibliotheek werd genoopt, zich over veel onwelkoms te ontfermen, maar binnenkort komt weer een deel der overtollige boeken op de markt.
Een organisatorisch belangrijke stap werd in 1969 genomen: het Fries Museum werd tot een aparte stichting afgesplitst uit het Genootschapsvermogen en het daaraan verbonden personeel werd per 1 januari 1970 in dienst der Provincie overgeheveld. Sedert dien komen de subsidies van provincie, rijk en gemeenten rechtstreeks ten goede aan de Stichting Het Fries Museum, ook het Genootschap draagt nog in aanzienlijke mate bij. De Genootschapsleden behouden de vrije toegang tot de bij de Stichting in beheer zijnde musea.
Het Genootschap heeft nu de handen vrij om zich weer meer op het stimuleren van onderzoekingen en de uitgave van wetenschappelijke geschriften toe te leggen, geheel in overeenstemming met het in artikel 1 van de ultimo 1969 vernieuwde statuten bepaalde: Het doel van de vereniging is het onderzoek naar en het verspreiden van kennis omtrent al hetgeen de geschiedenis, oudheid- en taalkunde van Friesland betreft.

Leeuwarden, Maart 1972.

 


Hé, is dat Westfries?

176. Die auto gaat nog wel 'n tijdje mee. Die moet je niet wegskoiten (ver beneden de waarde van de hand doen).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.