Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » WFON » 1982 » Pagina 126-135

Oudste oorlogsmonument in ons land uit de jaren 1940-'45 staat in Medemblik

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud & Nieuw, 49e bundel, pagina 126-135.
Uitgave: Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland', 1982.
Auteur: Volkert J. Nobel.

"Zooals U uit de Medemblikker Courant zal zijn gebleken, is de plaatselijke commissie voor O. en O. voornemens in samenwerking met de hier gelegerde militairen aan de Gemeente aan te bieden een eenvoudig gedenkteeken ter herinnering aan het weldra verdwijnende garnizoen en aan zijn gevallenen.
Vanzelfsprekend ben ik in beginsel met dat voornemen gaarne accoord gegaan. Het lag in mijn bedoeling in een einde dezer maand te houden raadsvergadering den Raad officieel mededeeling te doen van het vorenstaande en dat college voor te stellen het bedoelde gedenkteeken voor de gemeente te aanvaarden en goed te vinden, dat het werd geplaatst op het gazon van de Breedstraat, recht tegenover de Nieuwstraat.
Intusschen is mij gebleken dat de betrokken commissie met meer voortvarendheid te werk is gegaan dan ik verwachtte en dat zij, in de meening dat haar denkbeeld reeds officieel aanvaard was, bereids met de werkzaamheden ter plaatse is begonnen.
Ik haast mij daarom, teneinde U niet geheel voor een voldongen feit te plaatsen, U reeds thans met het vorenstaande in kennis te stellen, zulks in de stellige verwachting, dat U geen bezwaar zal hebben tegen het aanvaarden van het gedenkteeken en tegen het plaatsen daarvan op de Breedstraat. Mocht U onverhoopt daartegen wel bezwaar hebben, dan zou ik het op prijs stellen zulks ten spoedigste te vernemen, waarna ik, indien meerdere raadsleden Uw bezwaar deelen, de werkzaamheden zal doen stoppen. Ik wil echter reeds nu zeggen, dat ik het zou betreuren, indien daardoor de initiatiefnemers niet in staat zouden zijn de officieele aanbieding en onthulling van het gedenkteeken nog te doen plaats vinden tijdens de aanwezigheid van het garnizoen. Het is alleen met deze bedoeling, dat zij met zulke groote voortvarendheid te werk ztjn gegaan."

Dit is de tekst van een brief, die burgemeester P. C. J. Peters op 19 juni 1940 schrijft aan de "Heeren Leden van den Raad, Alhier": Eén van de drie brieven welke het oorlogsmonument tot onderwerp hebben, die er in het archief van de gemeente Medemblik bewaard zijn gebleven. Het tweede briefje dateert van 4 januari 1941. Daarin laat burgemeester Peters aan de Kon. Ned. Vereeniging "Ons Leger" te Den Haag weten dat in Medemblik een monument is opgericht "ter herinnering aan het garnizoen dat te Medemblik gelegerd was in de jaren 1939 en 1940 en ter herdenking van de elders gesneuvelden, die tot dit garnizoen hebben behoort": (Die laatste t staat er echt.)
De derde brief is van 27 februari 1941, is ondertekend door de gemeentesecretaris en gericht aan "den Heer Burgemeester van Zwijndrecht": In Zwijndrecht wil men óók een monument oprichten en men vraagt om nadere inlichtingen. Die worden verstrekt.

"De kosten van het monument hebben ongeveer ƒ 225,- bedragen. Bij de beoordeling der kosten dient er rekening mede te worden gehouden dat de steenen gratis door de gemeente uit voorraad beschikbaar zijn gesteld en dat het metselwerk tegen 2/3 van de normale prijs is verricht. Het beeld is naar het door luitenant Benninga ontworpen model in baksteen uitgehouwen door den steenhouwer L. Vogelpoel te Hoorn."

Drie brieven. De hele "oogst" onder de noemer "oorlogsgedenkteken" in het archief van Medemblik. Veel is het niet.
In het "Monumentenboek 1940-1945" *, waarin alle in ons land geplaatste oorlogsmonumenten zijn opgenomen, wordt óók aandacht geschonken aan het monument van Medemblik. Op blz. 20 staat het navolgende te lezen:

"ook in Medemblik staat aan de Nieuwstraat een oorlogsmonument, dat al in november 1940 onthuld is. Het is een soldaat van baksteen, ontworpen door reserve-luitenant Benninga in samenwerking met de toenmalige gemeentearchitect F. J Ruyter. Het beeld is in baksteen uitgehouwen door steenhouwer L. Vogelpoel. Op onze vraag naar literatuur, krantenartikelen of gebeurtenissen m.b.t. dit monument antwoordt men van de kant van de gemeente dat daaraan "wegens het ontbreken van de bronnen en van de tijd" geen aandacht kan worden besteed. Sta een ogenblik stil ... " Einde citaat

Burgemeester P. C. J. Peters onthult het herinneringsmonument. Burgemeester P. C. J. Peters verricht op zaterdag-middag 24 augustus 1940 een - achteraf gebleken - historische daad. Hij onthult het herinneringsmonument, dat door "het garnizoen" aan de stad is aangeboden. Het eerste monument in ons land, dat aan de tweede wereldoorlog en zijn slachtoffers herinnert.

Gemeentelijk voorlichtings- ambtenaar en Medemblik-promotor Wally M. Vreijsen is - begrijpelijk - niet zo bijster blij met de vermelding van Medemblik-op-deze-manier in dit monumentale monumentenboek. "Ik weet óók niet hoe het komt dat het gemeentearchief zo mager is gevuld: althans wat dit onderwerp betreft. Ik weet wel dat in 1939 het oude stadhuis is afgebroken en dat het gemeentebestuur het tot 1942 - toen het nieuwe in gebruik kon worden genomen - met noodonderkomens heeft moeten doen. Hier en daar wat. Het bijhouden van een behoorlijk archief zal toen, vermoed ik zo, wel niet de eerste prioriteit hebben gehad. De informatie die wij hàdden heeft de auteur van dat boek gekregen."

"Ter herinnering aan het garnizoen in de jaren 1939-1940 en zijn gevallenen". Zo luidt de tekst op het oorlogsmonument van Medemblik. Dat garnizoen heeft betrekking op de officieren, onderofficieren, korporaals en manschappen van de 4de en 5de compagnie van het 11de depotbataljon van het 11de regiment infanterie. Elf R.I. "lag" in Nijmegen (nadien in de Grebbelinie), de mobilisatiebestemming van het 11de depot-bataljon was Enkhuizen en de 4de en 5de compagnie (in totaal zo'n 240 man) werden in Medemblik gelegerd. De 4de, onder commando van kapitein L. M. Arnoldy, aanvankelijk in de St. Jozefschool; de 5de, onder commando van res. kap. J. G. Nahuisen, aanvankelijk in huize "Sint Martinus" en in het verenigingsgebouw "Sint Pieter".
Medemblik werd pas garnizoensstad na 29 augustus 1939: de dag, waarop in ons land de mobilisatie werd afgekondigd. De oudste stad van West-Friesland was daarop helemaal niet ingesteld. Vandaar de vordering van allerlei gebouwen, waarin de militairen moesten worden ondergebracht. Met de bouw van barakken - ter oplossing van de huisvestingsproblematiek - werd nog in het najaar van 1939 een begin gemaakt. De barakken werden gebouwd in een weiland, tegenover het toen nog in gebruik zijnde Provinciale Ziekenhuis: op het land van boer Schouten, bij de chr. kleuterschool. Nu de Koggewijk. Een paar dagen na de capitulatie op 15 mei 1940 was het kamp gereed en kon het in gebruik worden genomen!

Nanno Hendrik Benninga: na ruim 40 jaar terug bij "zijn" Nederlandse soldaat Nanno Hendrik Benninga: na ruim 40 jaar terug bij "zijn" Nederlandse soldaat, die is vereeuwigd in het eerste oorlogsmonument van Nederland.

Het beeld: ontworpen door reserveluitenant Benninga. Juister gezegd: door Nanno Hendrik Benninga. Zijn wieg stond op 26 juni 1906 in Amersfoort en ik achterhaalde hem in de zomer van 1980 in Laren, waar hij als gepensioneerd hoofddirecteur van de N.V. Koninklijke Bijenkorf Beheer was neergestreken.
De barre winter van 1939-'40 in garnizoensstad Medemblik. Afstandsmarsen en oefeningen in de Wieringermeer. "We speelden Rus en Fin: gehuld in witte camouflagepakken." Net achter de dijk werd een schietbaan aangelegd. De toenmalige reserve-luitenant Benninga, die na enkele maanden het commando over de 4de compagnie van kapitein Arnoldy overnam, kan zich zijn "Medemblikker tijd" nog best herinneren. "Sportwedstrijden op de nog niet bestrate Nieuwstraat: de draversbaan. O. en O-amusement in de zaal van de St. Jozefschool. Marcheren door de stad onder het "gezang" van: "Rik tik, rikketikketik, wat hebben we 't goed in Medemblik." Een korporaal ving ƒ 1,13 per week, een gemeen soldaat 97 cent. Na het in ontvangst nemen van de soldij-in-het-handje moest er worden gesalueerd."
Op 5 februari 1940 - 11 RI was inmiddels gelegerd in de Grebbelinie - kwam er een nieuwe lichting op. Vanaf het altaar in de Martinuskerk werd krijgstucht gedoceerd.
Op 4 mei 1940 werd de 5de compagnie naar Middenmeer en Slootdorp gedirigeerd: ter verdediging van de aldaar aangelegde nood-vliegvelden. De 4de compagnie kreeg dinsdagmiddag 14 mei bevel af te marcheren in de richting Amsterdam. Tegen de avond werd Edam bereikt, waar in de Grote Kerk het bivak werd opgeslagen. Dààr hoorde men het nieuws van de capitulatie. Binnen 24 uur was de 4de compagnie onder commando van luitenant Benninga terug in Medemblik, waar na een paar dagen de nieuwe barakken konden worden betrokken. De heer Benninga: "Ik heb alle geweren en munitie laten innemen. Pas zo'n anderhalve week later meldde zich de eerste Duitse militair bij mij. Al die tijd moest je proberen de jongens bezig te houden en op 26 mei mochten ze "dank zij de grootmoedigheid van de Führer", zoals dat luid werd verkondigd, naar huis. In uniform. Andere kleren hadden ze immers niet bij zich." Luitenant Benninga kreeg de opdracht het garnizoen Medemblik te liquideren: d.w.z. de gebouwen in goede staat aan het burgerlijke gezag terug te geven, waarna de opstallen - de nieuwe barakken en verdere inventaris door notaris Teunissen bij opbod in het openbaar werden verkocht. Een klein groepje soldaten was luitenant Benninga behulpzaam bij dat karwei.
Wat dat monument betreft. "Dat is een initiatief geweest van gemeentearchitect Ruyter en mij. Het was in mijn gedachtengang een herinneringsmonument. Pas na het beëindigen van de tweede wereldoorlog heeft het de status van oorlogsmonument gekregen. Maar goed: ik heb een model ontworpen, getekend en in klei vervaardigd. Dat laatste heb ik trouwens twee keer moeten doen. Ik weet het nog alsof het gisteren is gebeurd. Ik bracht een groep afzwaaiende soldaten naar het station. Een man of vijf waren achter gebleven en die hadden van mij de opdracht gekregen de boel goed op te ruimen en schoon te maken. Toen ik terug kwam lag het klei model in brokken buiten. Ze hadden het 't raam uitgedonderd. "We moesten de boel toch opruimen, luit?" Och, zo leer je teleurstellingen overwinnen."

De onthulling van het monument werd toch nog door enkele geuniformeerde militairen bijgewoond.

Nederland was al ruim 3 maanden bezet gebied. Toch werd de onthulling van het monument nog door enkele geuniformeerde militairen van het inmiddels geliquideerde garnizoen Medemblik bijgewoond. Op de foto, voorste rij v.r.n.l.: steenhouwer Vogelpoel, gemeentearchitect Ruyter, ontwerper Benninga, de heer Nabuisen (cdt. van de 5de cie), burgemeester Peters, mevr. Peters.

Steenhouwer Vogelpoel heeft "de soldaat van Benninga" in baksteen uitgehouwen. "Vakwerk." Minder gelukkig is de heer Benninga met de schaal, waarin het geheel is gerealiseerd. "Ik zag het monument voor het eerst op de dag van de officiële onthulling. Ik schrok me te pletter. Het was in mijn ogen veel te monumentaal uitgevallen: echt een werkstuk van een gemeente-architect. Te brede vleugels; een veel te hoge zuil. Mijn soldaat is daardoor in het geheel te pieterig geworden. Het had simpeler gemoeten."
Ontwerper Benninga heeft in 1941 professor Huib Luns - de vader van de latere minister Luns en diens broer - schriftelijk om advies gevraagd hoe één en ander alsnog zou kunnen worden verbeterd. Maar de professor antwoordde: "Laat 't maar zo: maak nóóit slapende honden wakker."

Stadhuis kwestie

Medemblik. In de winter van 1939-'40 garnizoensstad. En een stad zonder stadhuis. Mogelijk dat er daarom in het gemeentelijke archief zo weinig over het onderwerp "oorlogsmonument" is terug te vinden. Van de "stadhuis-kwestie" daarentegen des te meer.
Bij de behandeling van de gemeentebegroting 1937 komt die kwestie wederom ter sprake. "Niet langer wachten op een beteren tijd, maar zoo snel mogelijk nieuwbouw." Er wordt een commissie ingesteld, die de gebreken aan het stadhuis moet onderzoeken. De heren J. Geusebroek (Meerlaan), H. Geusebroek (Oude Haven) en F. J. Ruyter (gemeentearchitect) vervullen de opdracht met "bekwaame spoed". Conclusie: het stadhuis bevindt zich, zowel in- als uitwendig, in een zeer ver gevorderde staat van verval en levert gevaar op voor de werkenden in het stadhuis en de bewoners der aangrenzende woningen." Herstelkosten worden geraamd op niet minder dan ruim ƒ 16.000,- en daarmee wordt de ruimtenood nog niet eens opgelost. "Er is geen behoorlijk stempellokaal: geen geschikte lokaliteit voor het doen van uitbetalingen van allerlei aard (werkloozen, trekkers van Zuiderzeesteun, enz) Naar onze meening is voor een bedrag van ongeveer ƒ 40.000,- een voor onze gemeente zeer behoorlijk, voldoende representatief en ook voor de toekomst voldoende bergruimte biedend stadhuis te bouwen en met gebruikmaking van reeds aanwezig meubilair in te richten. Genoemd bedrag is wel groot, althans voor de omstandigheden in welke de gemeente zich thans bevindt, maar van den andere kant toch niet zóó groot dat de voorkeur moet worden gegeven aan een andere oplossing, die ongeveer half zooveel kost, maar feitelijk geen oplossing is." Bijkomende omstandigheid: na het gereedkomen van het St. Martinusgesticht moest er eigenlijk nieuw werk voor die bouwvakkers worden gecreëerd!

Het oude stadhuis van Medemblik

Het oude stadhuis - met station - dat in de winter van 1938-'40 werd afgebroken.

Bij brief van 22 oktober 1937 wordt bij de minister van O.K. en W. een sloopvergunning aangevraagd. Bovendien wordt een poging ondernomen om kasteel Radboud de bestemming gemeentehuis te geven. Op 13 april 1938 maken de leden van de gemeenteraad een excursie per autobus - vertrek om 6 uur 's morgens - ter bezichtiging van o.m. de raadhuis-kastelen van Helmond en Wijchen. Maar op 17 oktober 1938 zegt de gemeenteraad unaniem nee tegen het plan Radboud: "wij zouden niet willen bevorderen de stichting van een raadhuis in strijd met den zoo algemeen en uitdrukkelijk uitgesproken wensch der burgers, die toch tenslotte te zamen "de Gemeente" vormen."
Er wordt kontakt gezocht met architect J. A. Kropholler te Wassenaar, bouwmeester van meerdere raadhuizen en andere monumentale gebouwen. Hij komt met een ontwerp dat - inclusief c.v. - ƒ 58.000,- zou moeten kosten: met het honorarium van de architect, het loon van de opzichter, de kosten van de werktekeningen en de meubilering zou met een totaal bedrag van rond ƒ 70.000, - dienen te worden gerekend. Dat bedrag schiet "27 belasting betalende ingezetenen der gemeente" fors in het verkeerde keelgat: "een totaal bedrag van ƒ 40.000,- is genoeg." In Medemblik ontbrandt een "stadhuisstrijd". De kolommen van de Medemblikker Courant vullen zich met ingezonden brieven, de ene protestactie volgt de andere op, burgemeester Peters noemt op een gegeven ogenblik één van de protesterenden een "sukkel" en laat vervolgens de raad in een uitvoerige schriftelijke uiteenzetting (brief 13 januari 1939) weten dat hij zich "inderdaad nogal kras had uitgedrukt". Kortom: Medemblik is in 1939 650 jaar stad, maar de verdeeldheid in de stad wordt in dat jubeljaar met de dag groter. Van een feestelijke stemming is weinig te merken.
Zelfs commissaris der koningin Roëll bemoeit zich er mee: per brief van 22 februari 1939.
"Gelet op de grootte, de structuur en de perspectieven van de gemeente Medemblik komt het mij voor, dat een aan redelijke eischen voldoend Raadhuis kan worden gebouwd voor 40 à 45.000 gulden. De eischen, die het gemeentebestuur van Medemblik aan een nieuw te bouwen Raadhuis meent te moeten stellen, komen mij in méér dan één opzicht overdreven voor. Zoo schijnt het bijv. onnodig een aparte trouwkamer in te richten. Hiervoor kan gevoegelijk de Raadzaal ol de Commissiekamer worden gebezigd. Voorts acht ik meer dan één Commissiekamer in ieder geval overbodig."
De commissaris had gesproken ...
Gemeente-architect Ruyter geeft B. en W. bij brief van 15 augustus 1939 weer een duwtje in de rug. "Mijn advies is een schutting om het bouwvallige oude stadhuis te plaatsen, ter bescherming van de voorbijgangers." Bij brief van 24 november '39 dienen B. en W. het definitieve voorstel bij de raad in: het door Kropholler ontworpen plan moet worden gerealiseerd. Bouwkosten (inclusief honorarium architect) ƒ 55.000,-, stoffering ƒ 5.000, -. - totaal gevraagde krediet ƒ 60.000, -. De raad zegt op 30 november ja tegen dit voorstel en reeds op 6 december laat het college van Ged. Staten per telegram weten dat er tegen een onderhandse gunning van de bouw aan G. A. Baaten te Waspik voor hoogstens ƒ 58.950,- geen bezwaar bestaat. De schriftelijke bevestiging volgt per 13 december.
Maar intussen heeft de Rijksdienst voor de Werkverruiming per brief van 8 december wèl bezwaar gemaakt tegen een onderhandse aanbesteding. Het werk moet openbaar worden aanbesteed. Dat gebeurt op 21 december 1939 en er worden 26 biljetten ingeleverd. Aannemer G. A. Baaten te Waspik wordt met ƒ 64.479,- de op drie na laagste. De laagste inschrijver wordt aannemer Luc Buter te Andijk met ƒ 59.810,-. Architect Kropholler tekent bezwaar aan tegen Buter - "hij heeft slechts één werk van ƒ 25.000, - uitgevoerd: de telefooncentrale te Vlissingen tot tevredenheid van de Rijksgebouwendienst" -, zijn voorkeur gaat uit naar Baaten (bouwer van het raadhuis van Wateringen en de Veemarkt van Den Bosch), maar per 13 januari 1940 wordt de bouwopdracht door B. en W. aan aannemer Buter verstrekt. Voor ƒ 59.810,-. Op 15 december heeft P. Geusebroek de in het openbaar aanbestede afbraak van het oude stadhuis en de nabijgelegen woningen Dam 3, 5 en 6 voor een bedrag van ƒ 1.066, - inmiddels in de wacht gesleept. Op 11 maart 1940 begint aannemer Buter met de bouw van het nieuwe, door Kropholler ontworpen stadhuis van Medemblik. In 10 maanden moet het werk worden opgeleverd: dus op 11 januari 1941 moet het klaar zijn. In de vroege ochtenduren van 10 mei '40 valt de Duitse Wehrmacht evenwel ons land binnen. Allerlei zekerheden vallen plotseling weg.
Op 8 juni moet het metselwerk worden gestaakt. De kalkzandsteen is op. Op 4 juli is men op het werk door de voorraad hardsteen heen. Pas op 12 augustus komt er nieuwe voorraad. Na 10 maanden is het gebouw zo goed als waterdicht en op 1 oktober 1941 wordt het werk - "op enige kleinigheden na" - opgeleverd. Het duurt evenwel nog tot eind februari 1942 alvorens het gemeentepersoneel zijn intrek in het nieuwe onderkomen kan nemen. Geruisloos. Voor de in de raadzaal aan te brengen zonneklok offert het gemeentepersoneel één pro mille van de jaarwedde. Dat wordt voldoende geacht. De tijdelijke secretarie aan de Meerlaan 22 (welk pand laatstelijk was bewoond door dokter Feekes) kan weer worden ontruimd.
Alle stadhuis-trammelant in Medemblik is hiermee evenwel nog niet ten einde. Het werk komt, mede als gevolg van de oorlogsomstandigheden, de aannemer duurder te staan dan hij had geraamd. Zijn kasboek vermeldt aan het einde van de rit een totaal bedrag van ƒ 65.818,53: dus een schade van rond ƒ 6.500,-. Per brief van 28 augustus 1941 dient de aannemer via zijn Bond een schadeclaim in van ƒ 9.290,- en dat bedrag schiet zowel bij de Rijksdienst der Werkverruiming als bij het gemeentebestuur verkeerd. Pas in juni 1948 besluit de gemeenteraad aannemer Buter alsnog een bedrag van ƒ 3.788,40 uit te betalen. De aannemer doet afstand van alle verdere aanspraken en op 12 augustus 1948 tekent ook Buter deze afstand-verklaring. Het nieuwe stadhuis komt de gemeente op een totale uitgave van ƒ 78.522,21 te staan.

De schepping van architect Kropholler.

De schepping van architect Kropholler.

De officiële ingebruikname van het stadhuis geschiedt op vrijdag 12 september 1947: tijdens een buitengewone raadsvergadering, die o.m. wordt bijgewoond door commissaris van de koningin dr. J. E. baron de Vos van Steenwijk, door architect A. J. Kropholler - die blijkens de officiële notulen in zijn dankwoord de aannemer niet noemt -, opzichter P. A. van Iersel, beeldhouwer John Rädecker - de maker van de meer dan levensgrote leeuw op de top van de voorgevel -, schilder D. Nijland - de maker van de twee zich in het trappenhuis bevindende doeken - en aannemer L. Buter en zijn vrouw. Burgemeester Peters - "ik heb in de bezettingsjaren het spreken in het openbaar zo veel mogelijk vermeden" - schetst de lange lijdensweg van de stadhuis-geschiedenis: zonder al te veel in finesses te treden.
Voor de dames is er wat te snoepen, voor de heren wat te roken. Per 20 augustus '47 is dat door de burgemeester schriftelijk aangevraagd bij de Heer Hoofdinspecteur, Chef van het Bureau Bijzondere Zaken van het Centraal Distributiekantoor te 's-Gravenhage: "Ik hoop dat U het gemeentebestuur in staat zult stellen op behoorlijke wijze "voor de dag te komen" vooral waar het hier betreft de ontvangst van een groot aantal hoge gasten." Er worden 15 rantsoenbonnen voor tabaksartikelen beschikbaar gesteld. "Met beleefd verzoek hiervoor Engelse of Amerikaanse cigaretten te mogen ontvangen. De kosten worden direct na ontvangst overgemaakt." 
Zelfs de feestelijke opening krijgt nog een nasleep. Op 14 september '47 pakt de heer Th. Hagenaars, Westerdijk 35 te Hoorn een pen en een velletje briefpapier van zijn vakbond, de KAB. Hij laat B. en W. van Medemblik weten dat hij 9 maanden aan de bouw heeft gewerkt.

"Uit heel West-Friesland kwamen de arbeiders, weer of geen weer, op de fiets naar Medemblik. Financieel is het een zeer slecht werk voor ons geweest. Het werk werd uitgevoerd door middel van het Werkfonds: het loon stond nog 5 ct. per uur lager dan het contractloon in het Bouwbedrijf. Door lichtverlet konden wij veelal niet aan de vastgestelde 48-urige werkweek komen, zodat er weken waren dat wij met een loon van ƒ 18,- à ƒ 19,- naar huis gingen. Het heeft ons gegriefd dat wij niet zijn uitgenodigd. Bezwaren om allen uit te nodigen, dan een gratificatie en alsnog loon naar werken. Dit hadden wij zeker verdiend."

De boze meneer Hagenaars behoeft niet lang op antwoord te wachten. Op 16 september schrijft burgemeester Peters hem al een brief terug.

"De arbeiders zijn niet in gemeentedienst geweest. Hoe achterhalen wij adressen? Voor het geven van een gratificatie zouden wij stellig geen toestemming hebben gekregen van hogerhand. In een vroeger stadium - wij menen na het heien - zijn er al eens problemen over geweest en de burgemeester heeft in zIjn speech uitvoerig aandacht aan de medewerkers aan de bouw gewijd. Wij geven gaarne toe dat men - alléén om geldelijk of ander materieel voordeel gewend - kan zeggen: "Wat hebben de arbeiders aan mooie woorden?" Wij menen echter te hebben aangetoond waarom het ditmaal bij mooie woorden moest blijven."

Volkert J. Nobel

Alkmaar, voorjaar 1982

* "Sta een ogenblik stil ... " Monumentenboek 1940-1945; door Wim Ramaker (tekst) en Ben van Bohemen (foto's) Uitgeversmaatschappij J.H. Kok B.V. te Kampen. 1980

Geraadpleegde bronnen:
Archief gemeente Medemblik
Enkhuizer Courant van maandag 26 aug. 1940
Verenigde Noordhollandse Dagbladen van donderdag 14 aug. 1980.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.