Westfries Genootschap
Geschiedschrijving
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek

Landelijk Schoon Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg

Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Geschiedschrijving » Westfries Biografisch Woordenboek (WBW)

Rens, Trijntje (1878-1954)

Rens, Trijntje (1878-1954)

Ik laat rijkdom en fortuin maar aan een ander over

Over de mislukte emigratie van Trijntje Rens en haar gezin naar Latijns Amerika.
De lotgevallen van Trijntje Rens, haar man Jan Ploeger en haar kinderen zijn representatief voor een groot deel van 2073 Nederlanders die in 1908 en 1909 in Brazilië werk en een goed bestaan zochten.

Trijntje Rens werd geboren op 7 juli 1878. Ze was de dochter van Hendrik Rens (1841-1916) en Jannetje Marees (1843-1928) en woonde met acht broers en zussen op de molen Noorder G aan de Grote Sloot in Sint Maartensbrug waar hun vader molenaar was. Trijntje was een – voor die tijd – goed opgeleide molenaarsdochter, ze was heel creatief en wilde graag onderwijzeres worden. Maar dat liep anders. In haar memoires heeft zij haar hele levensverhaal opgeschreven en dat is altijd in de familie bewaard gebleven.
Trijntje ontmoette haar latere man, Jan Ploeger (1875-1959). De familie was niet echt gecharmeerd van hem en beschreef Jan als ‘liever lui dan moe’. Toch trouwde Trijntje op 20 mei 1899 met Jan en samen begonnen ze een tuinderij annex groentewinkel in Alkmaar. Het werd voor hen een zware tijd, in de groeiende stad Alkmaar nam de concurrentie in de groentehandel toe. Ze maakten schulden.

Advertentie Failissement Ploeger.

Het faillissement van de winkel aan de Nieuwpoortslaan werd uiteindelijk hun ondergang. Zij hadden geen inkomsten en geen werk en werden daardoor geminacht en met de nek aangekeken. Trijntje wilde toen maar één ding en dat was weg! Zij wilde een goede toekomst voor hun kinderen Trien, Hendrik en Jannetje.

Folder met ‘gouden bergen’
In 1908 werd er veel propaganda gemaakt voor het emigreren naar Brazilië. Dit land was sinds 1822 een onafhankelijke natie en had op dat moment veel mensen nodig voor het ontginnen van grond, aanleggen van spoorlijnen en opzetten van landbouwkolonies. Er werden in Nederland prachtige folders verspreid door particulier bemiddelaarsbureau Steinemann & Co in Antwerpen waarin ‘gouden bergen’ werden beloofd.
Voor alle emigranten: een gratis overtocht met de Koninklijke Hollandsche Lloyd, een omgeploegd stuk grond met een weldoortimmerd huis, gratis zaaizaad en werktuigen. Men kon gelijk aan het werk en je kreeg ook het eerste halfjaar extra inkomen. De aangeboden combinatie: een vrije passage, het vooruitzicht op land tegen aantrekkelijke afbetalingsvoorwaarden en de beschikbaarheid van een directe bootverbinding, had direct succes. Trijntje en Jan zagen hierin de oplossing voor alle problemen en meldden hun gezin aan.

Negeren waarschuwingen
De Nederlandse overheid zag het toen nog niet als haar taak emigranten van tevoren voor te lichten. Desondanks hadden Trijn en Jan beter kunnen weten. In die tijd werd nog gesproken over de rampzalige emigratie naar Brazilië tussen 1858 en 1862. Toen trokken 774 landverhuizers van de Zeeuwse eilanden en van westelijk Zeeuws-Vlaanderen daarheen. Het aan hen toegewezen land was nog oerwoud en de door de firma Steinemann voorgespiegelde comfortabele woningen waren niet meer dan hutjes met palmbladeren als dak.
De kolonisten werden bovendien geteisterd door malaria en andere tropische ziekten. Van de 176 personen die gezond in Pau d'Alto waren gearriveerd – waaronder 60 Zeeuwen – was in november 1858 al meer dan de helft gestorven. Trijntje geeft in haar herinneringen toe dat ze al in Nederland door enkele mensen gewaarschuwd werd, maar het toen niet wilde horen.

Een rampzalige emigratie
In 1909 vertrokken 1036 Nederlandse emigranten naar Brazilië. Op 1 september 1909 reisde Trijntje en Jan met hun 3 kinderen af op de s.s. Hollandia van de Koninklijke Hollandsche Lloyd.

S.S. Hollandia.

Onderweg hield Trijntje een reisverslag bij. Bij hun aankomst in Rio de Janeiro op 28 oktober 1909 waren ze nog niet op hun eindbestemming. Er volgde een treinreis het binnenland in en daarna nog twee dagen en nachten met paard en wagen door het oerwoud, voordat ze hun eindbestemming Guarany hadden bereikt. Eenmaal aangekomen stonden ze op een open gehakte plek midden in het oerwoud met ‘een simpele winkel en een administratiekantoor’ en hier en daar wat primitieve hutjes, maar landbouwgrond was er niet te vinden.

Het toegewezen stuk grond dat Trijntje en haar man kregen, moest dus nog ontgonnen worden. Om toch aan inkomsten te komen, ging Jan verderop werken als wegarbeider en moest Trijntje zorgen voor haar gezin. De omstandigheden waren erbarmelijk, ze woonden diep in het oerwoud, hadden geen water (hier moesten ze 15 minuten voor lopen), het voedsel wat ze hadden was eenzijdig en slecht.

Er heerste diepe armoede en ziektes zoals moeraskoorts. Op 28 januari 1910 verloor Trijntje haar dochter Jannetje aan deze ziekte. De gezondheid van het hele gezin nam af. Trijntje en Jan gingen beseffen dat er voor hen geen toekomst meer was in Guarany. Tijdens de heenreis naar Brazilië hadden ze iemand op de boot leren kennen die Jan aan werk kon helpen in Argentinië. Ze namen contact met hem op en besloten toen alles wat ze hadden te verkopen. Op 23 oktober 1910 gingen ze met heel weinig geld op reis. Net over de grens belandden ze in het plaatsje Concordia.

Verloren in Argentinië
Eenmaal daar aangekomen werden ze goed opgevangen door andere Nederlanders. Jan vond snel werk bij de spoorweg. Er volgden goede maanden totdat Jan zijn baan verloor. In 1911 trok hij met een bekende verder naar het zuiden voor het binnenhalen van oogsten. Hij keerde berooid terug, zijn verdiende loon viel in handen van corrupte politieagenten.
De lange afwezigheid van Jan kon de zwangere Trijntje niet aan. Ze werd ziek en belandde in het ziekenhuis. Trijntje voelde zich daar eenzaam, ze sprak geen Spaans. Haar zoontje Juan werd 15 april 1911 geboren maar stierf na 4 maanden. Hierdoor raakte Trijntje in een diepe depressie. Zij schreef brieven naar familie en gaf aan dat zij bang was voor haar overige kinderen als er wat met haar zou gebeuren.
Naast het gezin van Trijntje en Jan waren er nog tientallen Nederlandse emigranten die in grote problemen zaten. Hun leefomstandigheden waren slecht en de primitieve landbouw was rampzalig. De vele sterfgevallen, vooral veel vrouwen, vergrootten het drama. De hulp van de Nederlandse consul werd ingeroepen. Hij stuurde de brieven door naar de minister van Buitenlandse Zaken in Den Haag. Bijna onmiddellijk verschenen er advertenties in de Staatscourant om emigratie naar Brazilië af te raden.
In 1910 kwam een regeling tot stand om vijfhonderd Nederlandse emigranten deels op staatskosten terug te halen. Ondertussen had de vader van Trijntje zelf 200 gulden verzameld om zijn dochter en haar gezin terug te halen, maar hij kwam 124 gulden te kort. Hij schreef toen een smeekbede aan koningin Wilhelmina en deed een beroep op de repatriëringsregeling. Uiteindelijk kwam er een akkoord. Op 15 juni 1912 kwamen Trijntje en Jan met hun twee kinderen in Nederland terug. Op 5 augustus 1912 heeft Trijntje persoonlijk nog een brief naar de koningin verstuurd met daarin haar oprechte en welgemeende dank.
De mensen die teleurgesteld en berooid terugkwamen, wilden niet meer praten over de mislukte emigratie, ook Trijntje niet. Maar ze begon wel haar ervaringen tot in detail op te schrijven in een schriftje.

Een armoedig bestaan
Trijntje en Jan op oudere leeftijd Het gezin Ploeger keerde terug naar Alkmaar, daar werd de jongste zoon Jan geboren. Vader Jan Ploeger verwierf daar nooit een vaste baan, Hij bleef los werkman zonder een vast inkomen, hij was o.a. beerputtenleger en grafgraver. Trijntje, de drijvende kracht in het gezin, verrichtte her en der betaald naaiwerk, o.a. het omkeren van kleding.

Trijntje en Jan op oudere leeftijd

Trijntje was blij in Nederland terug te zijn. Haar nakomelingen leerde zij het lied over de mislukte reis met de zinsnede ‘Ik laat rijkdom en fortuin maar aan een ander over’.
Trijntje Rens stierf op 26 januari 1954 te Alkmaar.
Haar achterkleindochter Trinida de Kraker-Freudenau schenkt in 2013 het schriftje en de persoonlijke spullen van Trijntje aan het Zijper Museum. Deze collectie werd begin 2019 op een mooie manier in het museum tentoongesteld.
Fragmenten uit het schriftje zijn opgenomen in de onderstaande artikelen over Trijntje.

Bronnen:
Volkers, Theo, Trijntje Rens een sterke vrouw uit de Zijpe. ‘De Zijper Historie Bladen’: Herinneringen aan een mislukte emigratie, deel een en deel twee.
Expositie over Trijntje Rens in Zijper Museum.
Schenkeveld, Wilhelmien, Rens, Trijntje (1878-1954). In: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland.
Smits, Mari, Geen paradijs, de Nederlandse emigratie naar Zuid-Amerika, 1858-1940. In Historiek 19 december 2017.

Gegevens aangeleverd en bewerkt door: Marga Besseling-Wester te Hem (2019).

 


Hé, is dat Westfries?

615. Een paar van die echte brakken (rakkers, deugnieten) van schooljongens hadden m'n fiets opgeknapt. Ik gaf ze 'n bogie ('n pluimpje) en wat bokkeneuten (pinda's, sausjes). Ze gingen bloid (blij) op huis an (naar huis).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.