Op zondag 2 juni, de eerste officiële tropische dag van 2019, vond in Zorgcafé 't Koetje in Zandwerven voor de derde keer Toonbeeld Westfries plaats. Dit is een samenwerking tussen het Westfries Genootschap, Stichting Creatief Westfries, Expositiekring Beeldende Kunst Opmeer en initiatiefnemer Guido van Meerbeek.

Een grote groep amateur-kunstenaars liet een goed gevulde zaal genieten van hun werk. Bij kunst denken we in eerste instantie vaak aan beeldhouwwerken of schilderijen, maar het begrip kunst is veel ruimer. Het heeft betrekking op alle creatieve uitingen van de mens. Ook proza, poëzie en muziek horen er bij.

Leden van de bij Creatief Westfries aangesloten skroiversgroepe konden op de website van de expositiekring een schilderij uitzoeken dat hen inspireerde tot het schrijven van een verhaal of een gedicht.

Het leverde een afwisselend geheel op van mooie teksten over bijvoorbeeld het Westfriese landschap en het boerenleven, maar ook over actuele onderwerpen zoals de terugkeer van de wolf in ons land. Andere schilderijen nodigden uit tot het schrijven van meer persoonlijke teksten. Zo had Tom Wester een gedicht geschreven bij het schilderij ‘Moeder‘ van zijn broer Ben. Bijzonder was dat moeder Wester zelf ook in de zaal zat.

Bij binnenkomst en in de pauze was er gezellige muziek van Blaaskapel De Blauwe Reigers uit Heerhugowaard. Na mijn opening begeleidden zij ook het zingen van het lied ‘Dut is 't Land‘ van Nel van Laren-Zwuup.

Ter bestrijding van de onkosten ging in de pauze een hoge hoed rond en er was een verloting. Moeder Wester trok het winnende lootje. Gerrie Kamp was de gelukkige en ging met het door Susan Groot gemaakte schilderij naar huis. Jaap Meester had daar de volgende tekst bij gemaakt.
't Begroôt je dat zô'n sloôtje,
bedat gien meer te vinden is,
'n rietskoôt, 'n breggie en 'n knoeitje *
't raakt an 't zai en da's gemis.
Ik hew 'r vist, ik hew 'r skaast,
ik hew 'r glist over 't ois,
met 't knoeitje vaart deur 't kroôs
en genôten gewoôn onwois.
We verkavele en we dempe,
tot 'r gien sloôt meer overbloift.
De kikkers en de blauwe roigers
't is goed dat 'r nag ientje over skroift.
Wees bloid dat 'r nag zô mooi skilderd,
en in mooie kleure vastloid wort.
Den rake toch deuze mooie plekke,
echt nag niet in inienen vort.
't Begroôt je dat zô'n sloôtje
bedat gien meer te vinden is,
'n rietskoôt, 'n breggie en 'n knoeitje
't raakt an 't zai en da's gemis.
* roeibootje

Voor alle muzikanten, schrijvers en schilders was er als dank een roos.
Na afloop van het officiële deel van deze mooie middag speelde Koos Konijn uit Abbekerk bekende melodieën op mondharmonica.
Jan Smit

Op zaterdag 25 mei hielden we de voorjaarsstreekmiddag in Café 't Centrum in De Weere.
Ondanks dat er in de omgeving veel andere cultuurhistorische activiteiten plaatsvonden, waren er op deze prachtige voorjaarsdag toch nog vijftig mensen bij onze bijeenkomst aanwezig.

De Weere is een lintdorp, gelegen in een mooi gedeelte van Westfriesland. Een weere is een stuk land dat tussen twee afwateringsslotensloten ligt. Water en land zijn hier in de buurt gelukkig nog steeds volop aanwezig. Er is in deze plaats zelfs een straat met de naam ‘Het Paradijs’.
Op deze middag stonden de activiteiten van twee stichtingen centraal. Het waren Stichting De Westfriese Molens en Stichting Projector. Met beide stichtingen werken wij goed en plezierig samen.

Ons bestuurslid Joop Schouten is ook bestuurslid van Stichting De Westfriese Molens. Hij vertelde over het ontstaan van de stichting, het molenbezit, de huidige functie van de molens, het onderhoud en de financiering. Tevens gaf hij uitleg over diverse onderdelen van een molen. Molenaars krijgen een gedegen opleiding en dienen steeds alert te zijn op het weer. Bijzonder is de zogenaamde molentaal. De stand van de molen kan iets zeggen over vreugde en verdriet. Als het wiekenkruis vastgezet wordt met de onderste wiek net voorbij het laagste punt, dan is dat de rouwstand. Als de onderste wiek net voor het laagste punt stilstaat, is dat de vreugdestand. Vaak zijn de wieken dan ook nog voorzien van vlaggetjes.
Joop Schouten eindigde zijn presentatie met een Westfries gedicht van Ina Broekhuizen en liet daarna een door Dick Ham van Stichting Projector gemaakte film over de restauratie van de molen van Waarland zien.

Na de pauze vertoonde Dick Ham enkele films uit het archief van Stichting Projector. We zagen historische beelden van Westfriesland en Westfriese folklore, opnamen van de Stoomtram Hoorn-Medemblik en recente opnamen van de jaarlijkse landbouwshow in Opmeer, de Westfriese Omringdijk en de bouw van de tunnel bij Binnenwijzend.
Aan Joop Schouten, Dick Ham en fotograaf Frans Leek mocht ik een Edammer kaas uitreiken. Deze kazen waren gemaakt op de boerderij van Koopman in De Weere. Dit bedrijf is nog het enige bedrijf in Nederland waar de Edammer kaas op de boerderij gemaakt wordt. Boerenkaas maken is in 2017 geplaatst op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland.

Het officiële gedeelte van het programma werd besloten meteen optreden van Waterwijs. De vier leden van de groep zongen goed verstaanbare liederen met eigen melodieën en eigen teksten. Zij zong over de Zuiderzee, het IJsselmeer, Maria van de Keins en molens en begeleidden zich zelf op instrumenten zoals gitaar, accordeon, dwarsfluit en mondharmonica. Elk lied werd vooraf toegelicht.
De tekst van het lied ‘De Droom van Kees’ over molen De Lastdrager in Hoogwoud werd overhandigd aan Nico Braak, de penningmeester van Stichting De Westfriese Molens.
De titel van het lied verwijst naar molenaar Cees Mens, een van de gangmakers achter de momenteel in gang zijnde restauratie en het weer maalvaardig maken van de Hoogwouder molen.

Met een hapje en een drankje werd de middag besloten. Ondanks dat het een hele zit was (sommigen hadden naar hun zeggen ‘een blikgat van 't zitten’), mocht het bestuur veel positieve reacties op het programma van deze middag in ontvangst nemen.
Jan Smit

In de nieuwsbrief van december 2018 kondigde de reiscommissie van het Westfries Genootschap een dagtocht van Hoorn naar Delft aan. Al snel nadat de nieuwsbrief bij de leden was bezorgd, was de excursie volgeboekt.

Op dinsdag 16 april vertrok de bus om half negen. Bij de Zoete Inval in Haarlemmerliede werd een tussenstop gemaakt. Daar werden koffie, thee en cake gepresenteerd. Daarna ging de reis verder naar Delft. Deze stad is ontstaan aan een gegraven waterloop en is daar ook naar genoemd. Delven betekent graven. Vermoedelijk al in de elfde eeuw was bij deze waterloop op een kreekrug een grafelijk vroonhof gevestigd. Dat is een hoeve van een landsheer van waaruit de omringende landbouwgronden werden geëxploiteerd. Delft ontwikkelde zich tot een belangrijke marktplaats en kreeg in 1246 van Graaf Willem II stadsrechten.


Grote bekendheid kreeg de stad doordat hier in 1584 Willem van Oranje, de vader de vaderlands, door Balthasar Gerards werd vermoord. Delft is ook de stad waar in 1477 de zogenaamde Delftse Bijbel verscheen, het eerste in Nederland gedrukte Nederlandstalige boekwerk. Wereldberoemd werd de plaats door het Delfts Blauw. Dit is aardewerk met een blauwe decoratie dat vanaf de zestiende eeuw in Nederland gemaakt werd als goedkoop alternatief voor het blauwwitte Chinese porselein. De bloeiperiode was de periode 1650-1750. Toen waren er in de stad veel aardewerkfabrieken. Nu zijn er nog maar enkele.

Het bezoek aan Delft begon met een rondwandeling in twee groepen onder leiding van gidsen. De stad heeft veel monumenten, een aantal hofjes en bovendien grachten. In de Nieuwe Kerk aan de Grote Markt kregen we uitleg over de koninklijke grafkelder en het monument voor Willem van Oranje.


Na de lunch voerden de rondvaartboten Hugo de Groot en Willem de Zwijger ons door de historische binnenstad naar de Porceleyne Fles. Deze fabriek is in 1653 ontstaan en is nog de enige die vanaf de zeventiende eeuw doorlopend in productie is geweest. Vanaf 1919 heeft het bedrijf het predicaat koninklijk.
Te zien waren onder meer het vervaardigen van aardewerk met behulp van mallen of met behulp van een draaischijf, het handmatig decoreren van het aardewerk, de ovens en de uitgebreide collectie. In 1653 werd de klei nog handmatig gemengd. Nu gaat dat machinaal.

De collectie omvat naast het handmatig of machinaal gedecoreerde blauwe aardewerk ook het meerkleurige polychroom aardewerk.
Rond de klok van vijf uur vertrok de bus weer naar Hoorn. In tegenstelling tot de heenreis hadden we terug te maken met oponthoud door files. Maar dat deed geen afbreuk aan deze boeiende excursie die begunstigd werd door prachtig weer.
Jan Smit

Als het enigszins kan, proberen we tijdens de Westfriezendag of een voorjaarstreekmiddag als onderdeel van het programma een bezoek te brengen aan een bedrijf. Het wordt echter steeds moeilijker om dit te organiseren. Bedrijven zijn op zaterdag geheel of gedeeltelijk gesloten of ontvangen vanwege veiligheids-, hygiëne of concurrentieoverwegingen liever geen bezoekers. Tijdens de opening van Sow tot Grow in Enkhuizen sprak ik met de directeur van Dekker Chrysanten in Hensbroek. Hij vertelde mij dat zijn bedrijf open staat voor de ontvangst van kleinere groepen op een doordeweekse dag. Dat was niet aan dovemans oren gericht. Op 13 en 22 maart werden we op het bedrijf enthousiast ontvangen en rondgeleid door Renata Wit-Obdam.

De kas met moederplanten. (Foto Jan Smit)
De familie Dekker (P. Dekker en Zonen) bouwde in 1959 in Heerhugowaard de eerste kas. Toen werden daar tomaten in geteeld. In 1962 begon het bedrijf met de teelt van chrysanten. De bloemenkas van 1.150 vierkante meter was een onderdeel van het bedrijf dat op dat moment 6.150 vierkant meter glas omvatte. De chrysant komt oorspronkelijk uit China en is van nature een ‘korte dag plant’ die pas begint te bloeien na 21 juni. Het bijzondere van de teelt in de kas is, dat er daarin jaarrond chrysanten geteeld kunnen worden. Dit komt doordat het in de kas kunstmatig donker gemaakt kan worden met verduisteringsschermen.

Stekjes op de bewortelingsafdeling. (Foto Jan Smit)
Vandaag de dag doet Dekker Chrysanten veel meer dan alleen chrysanten voor verkoop op de veiling telen. Het is een toonaangevend bedrijf op het gebied van de veredeling en vermeerdering van chrysanten met een marktaandeel in Nederland van ongeveer 25%. Het bedrijf heeft in de loop der jaren een patent op een groot aantal commerciële rassen verworven.
Dekker Chrysanten is vanaf 1971 gevestigd in Hensbroek. Wereldwijd heeft het ruim 1.200 medewerkers, waarvan 125 In Nederland. Er zijn drie vermeerderingsbedrijven in Tanzania, een verkoopkantoor in Zuid-Afrika alsmede een test- en productielocatie in Columbia.
In Nederland vindt het veredelen plaats. Dit is een tijdrovend werk dat veel geduld vraagt.

De kas met diverse kruisingen. (Foto Jan Smit)
Bestaande rassen worden met elkaar gekruist in de hoop nieuwe rassen te kunnen ontwikkelen. Belangrijke selectiecriteria zijn vorm, kleur, teelteigenschappen en houdbaarheid. Het gevolg is dat er per jaar slechts een paar kruisingen geschikt worden gevonden om verder te ontwikkelen. Een bekend door Dekker Chrysanten ontwikkeld ras is de Madiba, vernoemd naar Nobelprijswinnaar Nelson Mandela.
Het kruisen (veredelen) gaat door middel van het overbrengen van stuifmeel van de ene soort op de stamper van de andere. Het zaad dat zo ontstaat, draagt eigenschappen van beide oorspronkelijke soorten. Nadat dit zaad gezaaid is, worden de plant en de bloemen die deze plant heeft nauwkeurig bestudeerd. Als dat er goed uitziet worden van deze nieuwe plant stekjes gemaakt en deze worden weer opgeplant. Eerst in kleine getale in potten, daarna met grotere hoeveelheden in de kas. Pas na enkele jaren wordt duidelijk of een kruising de moeite waard is. Nadat patent aangevraagd is kan deze als nieuwe soort op de markt worden gebracht.

Renata Wit-Obdam (met witte blouse) geeft uitleg over de chrysantenteelt. (Foto Jan Smit)
Zoals hierboven al aangegeven is er bij chrysanten sprake van vegetatieve vermeerdering. De stekproductie voor de klanten vindt plaats in Tanzania. De moederplanten die in Nederland zijn ontwikkeld worden in Tanzania gebruikt voor de vermeerdering. Stekken komen uit de oksel van een afgetopte plant. Per dag komen er uit Tanzania ongeveer 1.000.000 stekken in dozen per vliegtuig naar Nederland. In Nederland worden deze stekken die dan nog geen wortels hebben, opgeplant op trays en na de beworteling afgeleverd aan de klanten. Dat opplanten gebeurt automatisch met een door Dekker zelf ontwikkelde steksteekmachine. De stekkenproductie vereist een strakke planning vanaf het moment van steken tot het afleveren bij de klant. Klanten ontvangen op de afgesproken dag en tijd de afgesproken hoeveelheden stekken.

Snijchrysanten voor verkoop op de veiling. (Foto Jan Smit)
In Hensbroek bevinden zich naast de kassen ook het kantoor, het laboratorium, koelcellen en de expeditie. Voor al het vervoer over de weg wordt gebruik gemaakt van eigen vrachtauto's.
In Hensbroek worden ook chrysanten (alleen snijbloemen) voor verkoop op de veiling geteeld. Zo wordt ook voeling gehouden met de praktijk van de teelt.
Behalve het veredelen en vermeerderen is ook het op de markt brengen van nieuwe en bestaande soorten een belangrijk aandachtspunt van het bedrijf. Daarom worden vanuit Hensbroek dozen met van vorm en kleur verschillende soorten chrysanten erin verstuurd naar verkopers van bloemen, zodat zij kunnen zien welke soorten er aanslaan bij de consument. Voor het verzenden worden mooie dozen gebruikt die maar een keer gebruikt worden. Voor de levering aan de veiling wordt meermalig fust (kartonnen dozen) gebruikt.

Een kijkje bij de bosmachine. (Foto Jan Smit)
Alles bij elkaar gaven de excursies een goed beeld van de hele keten van de chrysantenteelt, van onderzoek en kruising via vermeerdering naar productie en verkoop.
Mooi dat zo'n toonaangevend Westfries bedrijf de geïnteresseerde leden van het Westfries Genootschap een kijkje in de keuken gunde.
Jan Smit

Al het vervoer vindt plaats met eigen vrachtwagens. (Foto Jan Smit)
Als voorzitter van het Westfries Genootschap mocht ik inmiddels twee keer de Auroraprijs uitreiken. De eerste keer aan Stichting Historie Aurora en de tweede keer aan Stichting Rundveemuseum Aat Grootes. In september 2018 werd ik gebeld door Wim van Leeuwen van Stichting Historie Aurora. Hij vroeg mij of ik het voorwoord wilde schrijven bij het boekje ‘Werkzaamheden bij één dag productie’. Een bijzondere vraag waar ik meteen ja op heb gezegd. Op zondag 3 maart werd het boekje officieel gepresenteerd tijdens een bijeenkomst van oud-medewerkers van de voormalige zuivelfabriek uit Opmeer in het rundveemuseum in Aartswoud. De eerste twee officiële exemplaren van het boekje werden overhandigd aan Elly Deutekom, de voorzitter van Stichting Rundveemuseum Aat Grootes en aan mij. Dit werd gedaan door respectievelijk Pé Langedijk en Wim van Leeuwen. Zij hebben interviews afgenomen met oud-medewerkers van zoveel mogelijk afdelingen van de in 1994 gesloten fabriek en op basis daarvan het boekje gemaakt.

Rundveemuseum Aat Grootes in Aartswoud. (Foto Jan Smit)
Ter gelegenheid van de overhandiging heb ik de volgende toespraak gehouden.
“Voor mij is dit een bijzonder moment. Het overkomt je niet alle dagen dat een eerste exemplaar van een boek aan je overhandigd wordt. Daar komen nog wat dingen bij.
Als voorzitter van het Westfries Genootschap mocht ik in 2014 de Auroraprijs uitreiken aan de Stichting Historie Aurora en in 2017 aan Stichting Rundveemuseum Aat Grootes. Hoe bijzonder is het dat ik het boekje ‘Werkzaamheden bij één dag productie’ in ontvangst mag nemen in het rundveemuseum.

Een kijkje in de stal van het rundveemuseum. (Foto Jan Smit)
Persoonlijk voel ik me ook betrokken bij zowel het werk van Stichting Historie Aurora als bij het rundveemuseum. Ik ben een liefhebber van agrarische geschiedenis en daar hoort de zuivelproductie bij. Bovendien ben ik als kind groot geworden met de liefde voor bijzondere koeienrassen.
Ik wil dat graag toelichten. Ik ben geboren in Opperdoes als zoon van een tuinder. Zoals meer mensen dat deden hield mijn vader in de winter zogenaamde opzetters. Dat waren koeien die in de herfst gekocht werden om in de winter op stal vet gemest te worden. Daarvoor werden producten gebruikt die niet geschikt waren om te worden geveild. Ook afval als koolbladeren werd aan de koeien gevoerd. De melk die de koeien gaven kwam goed van pas in een groot gezin waar elk dubbeltje omgekeerd moest worden.

Overhandiging eerste exemplaren van het nieuwe boekje. Van links naar rechts: Elly Deutekom, Pé Langedijk, Wim van Leeuwen en Jan Smit. (Foto Hanneke de Boer)
Op advies van zijn oom zette mijn vader zijn bedrijf om in een gemengd bedrijf. Naast de tuinderij waren de koeien de tweede inkomstenbron geworden. Mijn moeder zei wel eens dat we het door de koeien geleidelijk aan wat beter kregen.
Vader had een zwak voor wat wij toen ‘koeien met een kleurtje’ noemden. In de loop der jaren bevolkten vele zwarte en rode witrugkoeien en enkele blaarkoppen onze stallen. Een mooie gewoonte van mijn vader was dat hij zijn koeien vernoemde. Dat kon zijn naar de vrouw van de vorige eigenaar of naar de hoofdpersoon uit een toneelstuk waaraan hij zelf had meegewerkt als speler of regisseur. Onze eerste zwarte witrugkoe heette: ‘Pinky’, naar de hoofdpersoon uit het toneelstuk ‘Pinky, een negermeisje’.

Een kijkje in de stal van Andries Smit jr. (Foto Jan Smit)
Later heeft mijn broer het bedrijf overgenomen. Hij had veel witruggen in zijn stal staan. Uiteindelijk heeft zijn bedrijf nog het predicaat ‘Erkend fokbedrijf’ gekregen. Mijn vader leverde zijn melk aan de fabriek. Ik schreef daar iets over in het voorwoord.
De melk ging eerst in melkbussen met de melkauto en later met de tankwagen naar de fabriek. De melkrijder was het enige personeelslid van de zuivelcoöperatie dat we kenden. Van de organisatie van de productie op de fabriek wisten we weinig. Toch was het voor ons, net als voor alle andere boerengezinnen van groot belang dat de door de fabriek geproduceerde kaas, boter, karnemelk en andere producten van goede kwaliteit waren en een goede prijs opbrachten.

De koeien van Andries Smit jr. verlaten de stal. (Foto Jan Smit)
Het werk in de zuivelfabrieken gaat tegenwoordig heel anders dan vroeger. Het is daarom goed dat Stichting Historie Aurora het initiatief heeft genomen om met hulp van oud-medewerkers van Aurora op papier te zetten wat er dagelijks op elke afdeling gebeurde. Voor geschiedschrijving zijn de verhalen van direct betrokkenen een onschatbare bron van informatie.
Ik wil de initiatiefnemers voor dit boekwerkje complimenteren met deze uitgave en hen bedanken voor de eer die mij vandaag te beurt gevallen is.”
Jan Smit

Andries Smit jr. aan het werk tussen zijn koeien op het land. (Foto Jan Smit)
Voor het jaarboek van Stichting Historisch Opperdoes van 2018 schreef ik een artikel over de lotgevallen van de Opperdoezer torenklok in de Tweede Wereldoorlog. Het artikel beschrijft gebeurtenissen waar heel Nederland mee te maken had.
Talloze kerktorens, maar ook andere gebouwen zoals raadhuizen, verspreid over het hele land beschikken over een bronzen luidklok. Brons is heel goed bruikbaar is voor de oorlogsindustrie.

Dorpskerk Opperdoes. (Foto Jan Smit)
In maart 1940 kwam een in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen samengestelde lijst van torenklokken gereed. Doel van die lijst was om de meest waardevolle klokken bij een eventuele klokkenvordering te kunnen behouden. De overige klokken zouden dan in tijden van oorlog opgeofferd kunnen worden voor de oorlogsindustrie. Er waren op dat moment in Nederland ongeveer 9.000 luid- en speelklokken met een gewicht van 3.426.000 kg. Alle klokken kregen een volgnummer en een kwaliteitsaanduiding. Het eerste getal gaf de provincie aan (Noord-Holland kreeg nummer 7), het tweede was een volgnummer en een letter gaf de kwaliteit aan. De gebruikte letters waren A, B, C, of M.
De klokken die met de letter A waren aangeduid, werden geacht alleen metaalwaarde te hebben. Klokken met de letter B hadden ook een historische waarde en klokken met de letter C werden geacht een zekere kunstwaarde te vertegenwoordigen. De beschermde klokken werden voorzien van de letter M (van Monument). De laatstgenoemde klokken waren klokken waar een zeer hoge kerkhistorische, oudheidkundige of artistieke waarde aan toegedicht werd. Vaak waren dat klokken van voor het jaar 1500.

Binnenkant van de klok met vermoedelijk de letters JLE en MP. Aan de kale plek te zien waar de klepel de klok raakt. (Foto Jan Smit)
Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen. Na de capitulatie was Nederland vanaf 15 mei 1940 officieel bezet door Duitsland en viel daardoor onder het Duitse gezag.
In het najaar van 1942 werden de kerkklokken gevorderd en werd begonnen met het demonteren van de klokken uit de torens. Alle klokken, dus ook klokken met de letter M en beschermde carillonklokken, moesten worden verwijderd uit de zogenaamde Sperr-en operatiegebieden. Dat waren Zeeland, de kuststrook van Zuid- en Noord-Holland, Friesland, Groningen en de kop van Drenthe. De weggehaalde M-klokken uit Zeeland, Noord-Holland en Zuid-Holland werden opgeslagen in Leerdam en de klokken uit de drie noordelijke provincies eerst in Steenwijk en later in Giethoorn.
Alle Nederlandse klokken moesten net als de Duitse op eventuele kunstwaarde beoordeeld worden. Dit zou volgens het Duitse gezag het beste in Duitsland kunnen gebeuren, waar twee Nederlandse deskundigen ze zouden mogen beoordelen.
De Inspectie Kunstbescherming stelde voor dat zij de klokken voorlopig zou selecteren, waarna Duitse deskundigen dat later konden toetsen. Dit voorstel werd geaccepteerd. Alle klokken van voor 1800 werden vervolgens van een P (Prufung) voorzien.
Vanuit de Nederlandse opslagplaatsen werden de klokken per trein of per boot naar Duitsland vervoerd om daar te worden omgesmolten. Deze transporten verliepen niet altijd even voorspoedig. Zo is bekend dat het schip ‘Hoop op Zegen’ met 226 klokken aan boord in januari 1945 in de buurt van Urk is gezonken. Vier door de Duitsers ingeschakelde bergers lieten een bergingspoging opzettelijk mislukken. Het schip kon pas na de oorlog worden geborgen. Het is niet bekend hoeveel Nederlandse klokken er uiteindelijk door de Duitsers omgesmolten zijn. Er zijn ook klokken verloren gegaan bij bijvoorbeeld geallieerde luchtaanvallen en bevrijdingsoperaties. In 1946 rapporteerde de adjunct-inspecteur Kunstbescherming J.W.Janzen dat van de ongeveer 9.000 vooroorlogse Nederlandse klokken er ongeveer 4.212 gespaard waren gebleven.


In de kerktoren van Opperdoes bevindt zich een luidklok die gewijd is aan Jezus en in 1527 gegoten is door Maria Johannes Gerardus van Wou.
Deze luidklok werd op 17 maart 1943 verwijderd door ‘Wegenbouw, Telefoon- en Telegraafwerken P.J. Meulenberg’. Dit bedrijf voerde deze werkzaamheden in het gehele land uit. Meulenberg kreeg daarom de bijnaam ‘Klokken Peter’.
De Opperdoezer klok was als ‘P-klok’ aangemerkt, waardoor er een goede kans bestond dat de klok gespaard zou kunnen worden.

De galmgaten aan de westkant van de toren. (Foto Jan Smit)
Hoewel de Duitsers bepaald hadden dat elke gemeente een klok mocht houden om bij een luchtalarm dienst te doen als alarmklok, is de Opperdoezer klok toch verwijderd. Dat was in meer gemeenten het geval. Soms hing men een surrogaatklok in de toren. Zo is er het voorbeeld van een toren waar men een as van een spoorwagon ophing.
Op 7 september 1945 schreef de directeur van de dienst gemeentewerken in Groningen een brief aan de gemeente Opperdoes. Daarin stond dat in een opslagplaats van de dienst ongeveer 400 klokken lagen die afkomstig waren uit verschillende delen van het land. Uit de gegevens op een van de klokken concludeerde men dat deze naar alle waarschijnlijkheid afkomstig was uit Opperdoes.
Krijn Smit met het niet meer in gebruik zijnde klokkentouw. (Foto Jan Smit)
In een brief van de gemeente Opperdoes van 15 september 1945 aan de directeur van de dienst gemeentewerken van Groningen reageerden burgemeester J. Pierhagen en wethouder P. de Leeuw enthousiast op de vondst van de klok. Voor alle zekerheid vermeldden burgemeester en wethouder de gegevens van de klok, waaruit bleek dat het echt om de Opperdoezer klok ging. Door de Rijksinspectie Kunstbescherming was aan de klok het nummer 7 C 151 gegeven. De diameter van de klok was 102 centimeter en het gewicht ongeveer 650 kilogram. Op de klok stonden ook het jaartal 1527 en de naam van de klokgieter. Als extra bijzonderheid werd vermeld dat de ‘tegenwoordige en vroegere klokopwinder’ hun naam in de klok gekrast hadden. Dat waren M. Putting en J. de Leeuw.
Op 1 oktober 1945 antwoordde de directeur van gemeentewerken Groningen dat het nu zeker was dat de door hem in zijn brief van 7 september 1945 genoemde klok uit Opperdoes afkomstig was.
De Opperdoezer klok is pas op 6 juli 1946 weer teruggehangen. In het jaarboek West-Friesland Oud & Nieuw van 1993 schrijft aannemer Jan Bobeldijk uit Abbekerk, dat zijn vader met zijn knechten de klok van Opperdoes weer in de toren hebben gehesen.
Jan Smit
Het jaar 2019 is al weer een paar weken oud. Langzamerhand beginnen alle activiteiten weer op gang te komen. Voor het Westfries Genootschap is het jaar 2019 een lustrumjaar. We vieren dat onze vereniging 95 jaar bestaat. Volgens Van Dale, het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal is dat een kroonjaar. Waarvan akte.

Bestuur Westfries Genootschap op 1 september 2018. (Foto Frans Leek, Stichting Projector)
Omdat het oude beleidsplan liep tot en met 2018 is er voor de periode 2019 tot en met 2023 een nieuw beleidsplan opgesteld. Na het overleg met afgevaardigden van de commissies en de onder de paraplu van het Westfries Genootschap vallende stichtingen op de commissiemiddag in Obdam, is er een commissie van zes personen aan de slag gegaan om een nieuw beleidsplan te schrijven. Het nieuwe beleidsplan is door het algemeen bestuur op 14 november 2018 goedgekeurd en vastgesteld. In het beleidsplan is onder andere geformuleerd wat de huidige betekenis van het Westfries Genootschap is. Met andere woorden doet onze vereniging er 95 jaar na de oprichting nog toe? Het Westfries Genootschap heeft in meer of mindere mate de volgende kenmerken:
a. Een ‘nette’ actiegroep, denk aan het opkomen voor de Westfriese Omringdijk, stolpen en andere monumenten.
b. Een veel geraadpleegde bron van kennis met betrekking tot de cultuurhistorie van Westfriesland.

Anemonen in de buurt van Midwoud. (Foto Jan Smit)
c. Overkoepelend orgaan, dan wel verbindend element tussen de onder onze paraplu vallende commissies, stichtingen en vereniging en voor de plaatselijke historische verenigingen en stichtingen in Westfriesland.
d. Een vereniging die de belangen van de leden behartigt: ontmoeting, gezelligheid, kennisoverdracht door middel van het jaarboek, het Vierkant en de website.
e. De Westfriese Omringdijk en de Westfriese vlag zijn van blijvende waarde en de symbolische betekenis daarvan moet waar mogelijk ingezet worden om Westfriesland en het Westfries Genootschap onder de aandacht te brengen.
Dat het Westfriese landschap en de Westfriese cultuurhistorie onze inzet verdienen, blijkt bijvoorbeeld uit de bij deze aflevering van Uit en Thuis geplaatste foto's.

Westfriese Omringdijk tussen Scharwoude en Schardam. (Foto Stichting Projector)
Speerpunten van het beleid voor de komende vijf jaar zijn kort samengevat:
1. Versterken achterban Westfries Genootschap.
Voor het Westfries Genootschap is het belangrijk om te beschikken over een solide achterban van bedrijfsleden, leden uit de publieke sector en gewone leden. De inzet om leden in de diverse categorieën te werven blijft, maar ook wordt de mogelijkheid onderzocht om ‘Vrienden van het Westfries Genootschap’ te werven. Voor een bijdrage van € 12,50 per jaar steunt men dan het Westfries Genootschap. Als tegenprestatie krijgt men uitsluitend het Vierkant en de nieuwsbrieven digitaal toegestuurd.
2. Verdere uitbouw samenwerking met verwante organisaties.
Bundeling van kennis en ervaring en gezamenlijk optreden richting het grote publiek en overheid is van groot belang. De manier van samenwerking kan uiteen lopen van incidenteel tot structureel en de (juridische) vorm wordt van geval tot geval bekeken.
3. Activiteiten gericht op leden en niet leden.
Bij het organiseren van activiteiten moet meer dan voorheen gedacht worden aan activiteiten op andere dagen dan de zaterdag. Voor rondleidingen op bedrijven zijn er op doordeweekse dagen vaak meer mogelijkheden.

Molen Weel en Braken Heerhugowaard. (Foto Jan Smit)
4. Communicatie en publiciteit.
Naast de vertrouwde communicatiemiddelen op papier zoals het jaarboek, het Vierkant, de nieuwsbrief en de website dient nog meer dan tot nu toe gebruik gemaakt te worden van de nieuwe communicatiemiddelen zoals digitale nieuwsbrieven en Facebook. Verder blijft het belangrijk om via kranten, weekbladen en regionale radio- en telvisiezenders aandacht te vragen voor onze activiteiten.
5. Producten voor de verkoop.
Een belangrijk middel om het Westfries Genootschap onder de aandacht van het publiek te brengen is de verkoop van producten die een Westfries tintje hebben. Goede voorbeelden uit het verleden zijn de Westfriese vlag en het door Creatief Westfries uitgegeven Westfrieslandspel. Het blijft gewenst om aantrekkelijke nieuwe specifiek ‘Westfriese producten’ te introduceren met een goede winstmarge.
6. Vrijwilligersbeleid.
Er moet constant geprobeerd worden nieuwe mensen te interesseren voor bestuurs- of ander vrijwilligerswerk bij het Westfries Genootschap. Daarbij is specifieke deskundigheid op een bepaald onderdeel van ons werkterrein een pre.

Stolpboerderij de Stins op de grens van Abbekerk en Lambertschaag. (Foto Willem Zwier)
Kortom: het Westfries Genootschap heeft veel te bieden er is nog genoeg te doen. Om aandacht te vestigen op al onze mooie activiteiten zal op zaterdag 2 november 2019 de tweede Westfrieslanddag worden gehouden. Dit keer in de Spartahal in Schagen. Zet u het alvast in uw agenda?
Jan Smit

Westfriese Dansgroep Schagen. (Foto Jan Smit)